vrijdag 12 juli 2013

Tropenjaren


Daar dacht ik de laatste tijd geregeld aan, met een beetje zelfmedelijden. Tropenjaren, het betekende volgens mij:  ‘jaren die niet zo gemakkelijk zijn’. En zo voelt het voor mij soms hier in Benin. Warme, intensive, slopende jaren. Ik keek op Google voor een omschrijving van het woord ‘tropenjaar’ en hier is het: tropenjaar. tro·pen·jaar (het; o; meervoud: tropenjaren)
1: jaar, doorgebracht in de tropen
2: slopend jaar”
Ja, ik had gelijk, doorgebracht in de warme tropen en slopend…….. zo voelt het ook vaak voor mij. Het is hier meestal zo warm en klam. Ik voel me vaak zo moe, zonder dat ik eigenlijk iets gedaan heb. De dingen die ik doe zijn vaak slopend, vergt veel energie. Ik kijk soms in de spiegel en denk dan: “Volgens mij, ben ik dubbel zo snel ouder geworden hier!” Het maakt het extra lastig voor mij, omdat we zo geïsoleerd wonen, we totaal geen contact met blanke mensen hebben, geen ‘echte’ vrienden en familie om ons heen. We zijn maar met z’n tweetjes, en dat is fijn, we houden van elkaar,…….maar toch……….  niet even met de fiets langs een vriendin of even gewoon naar de winkel of even oppassen op een kleinkind, even bij mijn moeder langs, mijn zussen, een ‘gewoon’ gesprek, even domme lol hebben..….
Ach, ik weet nog wel, ik heb dat gevoel van slopende jaren al vaker gehad. Drukke, intensive jaren, ook vaak met het gevoel van “Ik heb zo’n behoefte aan een goed gesprek, een gezellig uitje. Ik heb het gevoel dat ik tegenwoordig alleen op kinderniveau kan praten!” Dat was in de tijd dat ik kleine kinderen had, 7 kinderen in 11 jaar (!), als moeder die fulltime thuis was en die tijd was ook niet altijd gemakkelijk, het waren drukke jaren, en toen ook ver weg van mijn familie in Nederland. Ik las dit ook nog op Google bij het woord ‘tropenjaren’: “Moederschap: Tropenjaren:  ‘Mijn baby wekt me elke ochtend om half zes, mijn peuter wordt dan vaak ook wakker. Als die dan al blijft slapen, wordt ze om zes uur wakker. Dat gaat nu al vijf maanden, ik weet niet hoe lang ik dat nog kan volhouden..’ De moeder die ik aan de telefoon heb klinkt tamelijk wanhopig. En het ergste is dat ik haar niet kan helpen of geruststellen: de jaren met meerdere jonge kinderen zijn tropenjaren.” Het is vaak een moeilijke tijd, het lijkt vaak allemaal een beetje te veel en het is gewoon vaak erg veel en een mens mag heus wel eens zelfmedelijden hebben, toch?
Deze week waren we in Tchangba. Een klein dorpje, dicht bij de rivier die de grens is tussen Benin en Togo. Tchangba is een van de eerste gereformeerde kerkjes hier. Het is de verste ‘paroisse’ van de ERCB in de Mono Couffo en de mensen daar zijn arm, erg arm. Het dorp ligt in de vallei van de Mono rivier en geregeld, als het een erg nat seizoen is geweest, overstroomt het dorp. De lemen huisjes worden dan zelfs weggespoeld, dus alles moet dan steeds weer opnieuw opgebouwd worden. We kwamen  daar gisteren onverwachts, gewoon even kijken hoe het gaat. Het dorpje is heel erg moeilijk te bereiken, de weg nauwelijks begaanbaar, grotere gaten dan op enig andere plek hier in de Mono Couffo. Sommige gedeelten van de weg helemaal onder water en je kon echt niet zien hoe diep het onder het water was en hoe groot de gaten, maar tot mijn grote angst wilde Joe toch doorgaan (hij geniet daarvan!) en ‘we made it’! We waren  in Tchangba, de uithoek, het ‘gat’ van de Mono Couffo! In het begin van het dorpje staat het kerkje van de ERCB, een lemen gebouwtje, stoffig, een paar raampjes, zonder kozijn en zonder glas, een kapot, wankel tafeltje voorin, een paar bankjes, een oude tamtam ligt ergens in een hoekje (waar zijn de nieuwe bankjes en tamtam die ze zouden kopen met het ingezamelde geld die de kerken hier samen hebben bijeen gebracht op de feestelijke samenkomst vorig jaar? Of hadden ze het geld meer nodig voor het dagelijkse leven….)

Er is in Tchangba veel  armoede! Net als in de andere dorpjes, hutjes van rode leem, met rieten daken, soms een metalen dak, veel van de daken verroest en ingezakt. Verscheidene ruïnes van kapotte huisjes, halve lemen muurtjes, nu als plekje voor de beesten of voor kinderen om in te spelen. Overal zie je plekjes waar er gekookt kan worden, drie grote keien in een rondje, een vuurtje in het midden en daar kan de kookpot bovenop pruttelen. En de rommel…. de afval, …..de eeuwige zwarte plastic zakjes die hier overal voor gebruikt worden, maar ook overal weggegooid worden (dat is echt een ware ramp voor Benin!) Het dorpje zelf is de vuilnisbelt, lijkt het. Geitjes, varkentjes, kippen met hun kuikentjes lopen overal rond, ze proberen eten te vinden tussen de rotzooi en overal hangt de geur van poep (hopelijk alleen van de beesten). En kinderen, heel veel kinderen van ongeveer drie jaar en ouder, lopen ons tegemoet en achter ons aan “Yovo, yovo, bonsoir!”. Sommigen gekleed, sommigen halfnaakt of naakt, stoffig en de meesten met dikke opgeblazen buikjes en veel met een grote uitstekende navelbreuk (die zie je hier heel veel!) De kinderen zijn blij om ons te zien, visite en dan ook nog Yovo’s! ‘Die hebben vast wel iets voor ons bij zich!’ (we hebben meestal wel wat koekjes of snoep.) De enige volwassenen die aanwezig zijn, zijn een paar oude vrouwtjes en twee moeders. Iedereen anders is op de ‘champ’ - het land - aan het werk (de kleinste kindertjes met de moeders mee.)  “Willen jullie Jonas spreken?” Jonas is de oudste (de leider) van het kerkje hier. Ach, als hij druk bezig is op het land, dan willen we hem niet storen! “Hij is aan het werk, maar het is dichtbij, we halen hem wel op!” Even later, daar is hij, Jonas, de leider…….

Niet wat je verwacht van een leider, een verlegen man, klein van stuk, in zijn vieze werkkleding. Hij loopt altijd wat gebogen en kijkt altijd heel schuchter. We merken ook, eigenlijk zolang we hem al kennen, dat leider zijn een erge zware taak voor hem is. Hij heeft de driejarige opleiding van de I3B (bijbelopleiding voor kerkleiders) gedaan, hij heeft trouw alle lessen gevolgd, maar hij kon geen diploma krijgen, alleen een getuigschrift, dat hij meegedaan heeft. Als je hem zo ziet lijkt het alsof hij de zorgen van de hele wereld op zijn schouders heeft. Hij heeft het moeilijk, hij werkt hard, maar nauwelijks genoeg voor het dagelijks eten voor zijn gezin. Menselijk gezegd: zijn leven lijkt uitzichtloos, het leven is een ‘vechten tegen de bierkaai’ voor hem. Armoe, armoe, lijden, hij weet wat tropenjaren zijn……… Er is hier een kerkje, ze proberen zo goed als het kan hier kerk van Jezus Christus te zijn, maar hoe kunnen ze? Dat is het échte leven in de tropen……..

En dat zien we hier overal, misschien niet overal zo erg als in Tchangba, maar een moeilijk leven, overleven…… een tropenleven en tropenjaren die maar voortduren…….. Waar heb ik het dan over? Ik ben hier maar voor twee jaar en ook nog met tussenpozen! Die warmte, het gemis, maar toch ook een uitdaging, een ervaring, een verdieping…. en die jaren toen de kinderen nog klein waren, die eigenlijk ontzettend mooie, rijke en gezegende jaren waren. Waar heb ik het eigenlijk over!

En dan zitten we op zondag in de kerk in Noumonvihoue, dat was afgelopen zondag. Joe preekte uit Handelingen, over het verhaal van Filippus en de hoge ambtenaar, de eunuch, uit Ethiopië, die op weg was naar Afrika vanuit Jerusalem. Hij was de profetieën van Jesaja aan het lezen. Hij las, maar hij begreep het niet. Over het lam, het lijden, over de man, die werd veracht, geminacht, maar die onze ziekten droeg, ons lijden. Maar we wilden Hem niet, hij werd verstoten, geslagen, gebroken…….voor onze zonden. Wie is die man waar de profeet over schrijft? Wie is die man, die is als een lam, die naar de slacht werd geleid? En God stuurde Filippus, speciaal voor deze man uit Afrika! Filippus legt het hem uit, ‘het Lam van God dat het lijden en de zonden op zich nam is Jezus, de Zoon van God, die in Jeruzalem voor ons heeft geleden en is gestorven. Voor ons! En het goede nieuws is ook voor jou en voor alle mensen in Afrika!’   En als er een plek is op de wereld waar lijden is, dan is het wel in Afrika! Maar Hij droeg onze zonden, al onze zorgen. Hij droeg al het lijden, ook voor Afrika, voor de Ethiopiërs , Oegandezen, Nigerianen, de Beninesen! En het beste komt nog, Hij heeft het beloofd!

Daar zitten wij dan in de kerk in Noumonvihoue, het is waar en het is een prachtige belofte. Wij lijden nu, maar alles komt goed! Het beste komt nog….. Ja, dat is gemakkelijk te zeggen voor ons, mensen uit het rijke westen. Weten wij wat echt lijden is? Natuurlijk, er is veel lijden en ziekte en verdriet overal, ook in Nederland, maar zo uitzichtloos, zo machteloos als in Tchangba? Het ‘beste komt nog’, maar wanneer? God ziet toch wel hoe moeilijk het leven nu is voor mensen als Jonas in Tchangba, de ‘malades’ in Madjrè, de jongelui in het kerkje in het heidense Noumonvihoue, die niet veel toekomstperspectief lijken te hebben? Maar dan merk ik steeds maar weer, en het maakt me klein en nederig, dat de mensen hier ook écht uitkijken en verlangen en zeker weten dat het ooit écht goed komt. Ze geloven het echt! Elke keer weer, als we in Madjrè zijn, of zondag in Noumonvihoue of eergisteren in Tchangba. Ze beamen het steeds weer, ‘Ja, de Heer komt! Wij moeten geduldig zijn, maar Hij komt echt!’  

De man uit Ethiopië ging op weg naar Afrika, met vreugde! Hij was er zeker van: we moeten wachten, onz tropenjaren, maar Gods tijd komt! Het Lam van God is nu bij Zijn Vader en Hij bidt voor Tchangba, Madjrè, Noumonvihoue, voor Afrika, voor ons! De vergeving van onze zonden is er al, dat geloven we zeker en als Hij terugkomt dan is er nooit meer lijden en verdriet voor zijn kinderen in Afrika en in Nederland en overal op de wereld. Dan zijn al die tropenjaren voor altijd voor iedereen voorbij! Die slopende, moeilijke, intensieve jaren, die wij allemaal weer op een andere manier ervaren en meemaken! ‘Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft! Hij die van deze dingen getuigt zegt: “Ja, ik kom spoedig!”’

Amen, kom Heer Jezus, ik zie er zo naar uit!

donderdag 4 juli 2013

Calixte (Joe's blog, vertaald)

Lever. De weeïge geur van rauwe lever doordringt alles. Marijke zegt: nee, wat je ruikt zijn vitamineB-injecties. Maar voor mij is het de geur van lever, zwaar en plakkend, in de beklemmende warmte van de gang van het ziekenhuis. Aan het eind van de gang, waar we nu inmiddels al twee uur geleden waren begonnen, is het meer chloorxylenol wat je ruikt, beter bekend als het ontsmettingsmiddel Dettol. Maar waar wij zitten hangt er geen reinheid in de lucht. Drie of vier deuren verderop een vrouw die met steeds kortere tussenpozen gilt van de pijn. Het is alleen maar gissen wat daar voor slachterij gebeurt. Niemand anders besteedt er aandacht aan. Niet het kleine meisje op de bank naast ons, zittend in slaap gevallen. Niet het gezin dicht tegen elkaar aan iets verderop. Niet de moeder die in de deuropening haar zoontje de borst geeft.
We zijn in Lokossa, in afwachting van ons medisch dossier, gedateerd 01 - 03 februari 2012. Samen met Grégoire - broeder, vriend en gids – zijn we hier vanmorgen om ongeveer elf uur gekomen. We hadden verwacht vandaag de commissaris van Dogbo te vergezellen naar de procureur om het dossier  af te geven van de zaak tegen Calixte, de man die ons nu een jaar en vijf maanden geleden gedrogeerd en beroofd heeft. Maar het kantoor van commissaris David Gandonou was vanmorgen vol opgewonden vrouwen. De één na de ander erkende of ontkende betrokkenheid bij de man die ineengedoken zat op de stoel voor de politiechef. Het is hier in Benin heel normaal: te verschijnen voor een afspraak en te ontdekken dat de persoon die we moeten spreken volop bezig is met andere zaken. En ook geen privacy-regels: we werden naar een stoel naast de commissaris toegewuifd en mochten delen in de geneugten van het politieonderzoek. Na ongeveer 20 minuten, stelden we voor dat het misschien beter zou zijn om later terug te komen, want er was ook nog de kwestie van ons medisch dossier. Toestemming verleend, vertrokken we naar Lokossa. Grégoire had vooruit gebeld. Grégoire kent een ongelooflijke verscheidenheid aan mensen, in dit geval iemand hoog in de hiërarchie van het ziekenhuis, die had beloofd om ons voor te stellen aan het hoofd van de spoedopnames.
Maar misschien moet ik even een stapje terug doen en jullie vertellen wat er aan de hand is. Afgelopen vrijdag was Grégoire bij ons gekomen met nieuws: KPOGLOZOUN Calixte was opnieuw gearresteerd, en was in de prison civile bij Lokossa. Calixte is de man die wij kenden  als Ben Ali. Na het geweldsincident vorig jaar vluchtte hij. Enkele maanden later echter was hij betrokken geweest bij een ander misdrijf, de diefstal van een laptop, en veroordeeld tot een jaar in de gevangenis van Ouidah. Daar zijn we toen geweest om hem te identificeren, terwijl het bewijs tegen hem werd samengebracht. Maar toen we in oktober terugkwamen om het dossier te voltooien, werden commissaris David en wij onaangenaam verrast door het nieuws van zijn vervroegde vrijlating een paar weken eerder. Een presidentieel pardon voor kleine criminelen in heel Benin was per ongeluk ook toegepast op Calixte. Na die ongelukkige vergissing ging de klopjacht door, maar wij hadden allang de hoop opgegeven dat die met succes zou worden afgerond.
Tot afgelopen vrijdag: Grégoire, met diverse bekenden en politie-informanten, was doorgegaan met zoeken naar z’n verblijfplaats en om in samenwerking zijn arrestatie te bereiken. Een doorbraak was gekomen toen een vriend van Calixte - waarschijnlijk verstandig om hem naamloos te houden – ook slachtoffer werd. Op zoek naar wraak had deze man afgesproken om mee te werken met het onderzoek. En afgelopen donderdag was Calixte dan eindelijk gepakt.
Gisteren gingen we naar de gevangenis voor de tweede confrontatie. Dat had heel wat voeten in aarde, zoals we inmiddels gewend zijn. Allereerst, net als de vorige keer, werd van ons verwacht de politiechef en degenen die ons zouden vergezellen te vervoeren. Maar pas na eindeloos wachten in zijn kantoor, terwijl de chef diverse andere zaken afhandelde. De HiLux werd afgeladen met onszelf (voorin), de politiechef, zijn adjunct, een agent, en Grégoire achterin. Vier grote mannen op de achterbank was flink proppen. Maar halverwege Lokossa stopten we nog eens een keer, voor een andere passagier: de gewezen vriend die eveneens mee zou komen. Deze man was nog groter dan de commissaris. Geen probleem, zei de commissaris, hij kon op de voorstoel zitten met Marijke op schoot. Ik dacht het niet!, zei Marijke. Bij Grégoire op schoot, misschien... Uiteindelijk hebben Marijke en ik de passagiersstoel voorin gedeeld en Grégoire ging achter het stuur. Hij is tenslotte chauffeur. En ik zit liever ongemakkelijk met Marijke dan haar aan één van de alternatieven onderwerpen.

Aangekomen in Lokossa, gingen we niet direct naar de gevangenis. In plaats daarvan moesten we op zoek naar een kapper. Commissaris David had besloten dat hij nodig een scheerbeurt moest hebben. Pas een half uur later stopten we voor de poorten van de gevangenis. Een stuk of dertig bezoekers hadden zich daar verzameld, elk met een nummer dat de volgorde aangaf waarin ze hun eigen zoon of echtgenoot of vader zouden kunnen bezoeken. Het plan was voor de gewezen vriend om zich daarbij te voegen, te wachten op zijn beurt, Calixte te bezoeken om hun onderlinge ruzie bij te praten, en vervolgens door de commissaris ‘toevallig’ onderbroken te worden tijdens het gesprek. Het doel was Calixte  door de vriend aan te laten wijzen als de persoon waarnaar de politie op zoek was geweest, zonder zijn eigen samenwerking met de politie te verraden. (Nee, vraag me niet naar de precieze relevantie of logica van deze methode.) Alleen: zelfs naar Afrikaans tijdsbegrip leek het wat onhandig om in de rij te gaan staan met zo’n dertig man voor ons. Dus de commissaris besloot de chef van de gevangenis te bellen. Inderdaad, misschien was het handig geweest om dat van tevoren te hebben gedaan, maar time-management is blijkbaar niet één van de vakken die op de politieschool gegeven wordt.
De chef van de gevangenis was behulpzaam. Hij zei: maar waarom probeer je niet iets anders? Neem de informant mee naar binnen als gevangene, en doe alsof je hem ertoe dwingt om te reageren. Algemene verrassing. Wat een goed idee! zei de commissaris. Dus reden we weer van de parkeerplaats af om de chef wat tijd te gunnen om zaken te regelen. Maar ho eens even, zei de commissaris, om dit te laten werken, moeten we onze vriend in de boeien slaan. En die hebben we niet bij ons. We parkeerden de HiLux langs de weg die naar de gevangenis loopt en wachtten daar op de aankomst van een agent van station Lokossa met handboeien.
Twintig minuten later waren we er weer. Toepasselijk geïntimideerd liet de gewezen vriend zich als een volleerd acteur het kantoor van de chef van de gevangenis binnen duwen  door de potige agent, met ons in hun kielzog. En daar zat Calixte, ogen wijd van verbazing. Kent u deze man? begon het verhoor. J-j-ja, kwam het antwoord. Wat is zijn naam? Stilte. De agent gaf een lichte tik tegen het hoofd onze vriend. Calixte! Zijn naam is KPOGLOZOUN Calixte! En zo ging het door. Dingen die Calixte hem had verteld. Ook over wat er die noodlottige dag in februari was gebeurd. Calixte luisterde. Zijn aanvankelijke zelfvertrouwen verdampte  - want hij was begonnen door alles te ontkennen. Hij had ons van z’n leven nooit gezien. Hij had geen idee wie we waren. Nee, hij herkende niet het huis op de foto. Ja, die andere man was wel zijn vriend, maar nee, er was nooit een probleem tussen hen geweest. Maar terwijl  de ondervraging vorderde kromp hij steeds verder ineen. Hij gaf zijn misdaad tegen ons niet toe, maar uiteindelijk was er niet aan te ontkomen dat ja, dit zijn huis was, en ja, hij de Calixte uit Agame was die door de chef du quartier was aangewezen, etc. etc.
Wat voelden we, tijdens deze gestage deconstructie van een geharde crimineel? Geen angst. Geen ongemak. Niet zoals de eerste keer. Hij ontweek onze blikken. Er was niets meer over van bravoure, van verzet, van sluwheid. Wat we zagen was het zielige overblijfsel van de  man die we ooit hadden gekend. Wat een zonde van een mensenleven! En wat verdrietig dat zijn kinderen zoiets hadden als vader! We verlieten de gevangenis eigenlijk zonder erg veel te voelen. Zelfs niet voldoening dat het recht nu z’n weg zou vinden.
We gingen naar een buvette met de commissaris en zijn mannen om te lunchen. Inmiddels was het rond half twee. Wij betaalden voor de rijst, geit, saus, en bier. Geen vragen nu, zei de commissaris. Pas nadat we hebben gegeten. Delen van een maaltijd in Afrika heeft niets met gezelligheid te maken. Het is alleen maar om te eten. En na de lunch vertrokken we weer naar Dogbo. Niemand had veel energie om te  praten.
Terug in Dogbo besproken we wat er vervolgens zou gaan gebeuren. Breng me al jullie medische ontvangstbewijzen, zei de commissaris. Natuurlijk hadden we die niet meer. Maar ik zei jullie vorig jaar toch dat je ze allemaal moest bewaren? Niet dat we ons kunnen herinneren, zijn Marijke en ik het er over eens. Maar wat dan nog? Iedereen, ook de commissaris zelf, is in het ziekenhuis op bezoek geweest terwijl we in coma lagen. Geen twijfel over de toestand waar we in verkeerden,  toch? Maar er was geen ontkomen aan. Je zult naar het ziekenhuis in Lokossa moeten en het medisch dossier moeten opvragen. Het bewijs van de ernst van de toestand. En daarna ook het dossier van de Mahouna Clinic in Cotonou.
Dus dat is wat we vanochtend en vanmiddag in het ziekenhuis deden. Van de bekende van Grégoire, door naar de majeur. Van de majeur naar het centrale register. Van het centrale register naar de behandelende arts. Van de arts naar ... En dit is de korte versie. Uren wachten. Uren in de geur van lever en chloroxylenol. Uren om steeds duidelijker te beseffen: dit was waar we toen echt zijn geweest. Bewusteloos vanaf onze opname in de vroege avond van 1 februari tot ons vertrek in de middag van de 3e, toen Richard de artsen overrulede en ons overbracht naar Cotonou.
Marijke heeft absoluut geen herinneringen aan ons verblijf in Lokossa. Ik herinner me drie dingen, heel vaag. De ruwe schok van een katheter die werd verwijderd en het kleine stroompje van geronnen bloed en urine die daarop volgde. Neergedrukt worden – ik denk door Mariette – toen ik van bed wilde klimmen ​​om naar Marijke toe te lopen, in haar bed aan de andere kant van de kamer. En een excursie die ik ’s nachts gemaakt heb door de binnenplaats. Ik herinner me dat op een vreemde droomachtige manier. Zo’n droom ken je vast wel: dat je half bewust bent van het zijn in een vreemde omgeving, met geen besef van waar je vandaan kwam of waar je heen gaat, waarom je er bent, hoe deze gebeurtenis in verband staat met de rest van je leven of wie de mensen zijn om je heen. Ik stond vanmiddag bij de deur terwijl we wachtten op de dokter en ik herinnerde me plotseling hoe ik hier over de gewelfde veranda rondom de binnenplaats liep, midden in de nacht. Alles was donker, alles was stil. Ik weet niet meer hoe ik onze kamer terugvond, hoewel dat natuurlijk wel gebeurd is. Mariette, die de nacht doorbracht bij ons op de afdeling, was wakker geworden en ontdekte dat ik was verdwenen. Zij had de verpleegster geroepen en ze hadden op het punt gestaan om een ​​zoektocht te organiseren toen ik weer binnenliep, totaal onbewust van de schrik die ze hadden ondergaan. In het ziekenhuis te zijn vandaag en die herinneringen te ondergaan deed me opnieuw realiseren: het is ons allemaal echt overkomen.
We zijn hier geweest. We hadden dood kunnen zijn, maar dankzij God en dankzij een aantal geweldige mensen, staan we hier vandaag nog.
Later op de middag hadden en Marijke en ik beiden weer zo’n moment. We waren voor de vierde keer in twee dagen weer terug bij de commissaris. Hij had ontdekt dat het dossier wel een verklaring van mij bevatte, maar niet een van Marijke. Dus nu was het haar beurt. Dat ging eigenlijk best goed, zonder teveel ongemak voor haar of verrassingen voor mij. Behalve dat ik me voor de eerste keer realiseerde dat Marijke’s herinnering van het incident zoveel eerder ophoudt dan dat van mij.
Maar daarna besloot de commissaris om mijn verklaring van afgelopen februari hardop voor te lezen. Iemand anders horen voorlezen wat ik toen had verteld was onverwacht confronterend. De gebeurtenissen volgden elkaar weer een voor een op. Mijn eerste ontmoeting met Calixte. De manier waarop hij ons vertrouwen won door interesse in de Bijbel te tonen. De uitnodiging voor de verjaardag van zijn zoontje ’s middags op 1 februari. Hoe hij ons degue te drinken gaf, de yoghurt-achtige drank waarin het middel zat dat ons bijna het leven kostte. Hoe Marijke haar bewustzijn verloor en ik alleen maar dacht, hé, dat is apart. Hoe ik op stond om terug naar Dogbo  te rijden, en er ook daadwerkelijk aankwam, ondanks mijn toenemende beneveling. Hoe wij samen Marijke in huis droegen, en hoe daarna het gordijn van duisternis ook voor mij viel. Eventjes dacht ik vanmiddag, en dat zei ik tegen Marijke: hij was eigenlijk niet een heel slimme dief, hè? Om dit in zijn eigen huis te proberen, die wij later gemakkelijk zouden kunnen aanwijzen.
Tot ik plotseling besefte: maar het was ook niet zijn bedoeling dat er voor ons een later zou zijn. Dat we met hem terug zouden gaan naar Dogbo. Het was alleen omdat ik was niet zo zwaar onder de invloed was als Marijke en er op aandrong om naar huis te rijden. Waar we later gevonden konden worden door Joseph. En meegenomen naar dit ziekenhuis. Waar we  later wakker konden worden. Alleen daarom waren we er vanmiddag nog. En nu weer, terwijl ik deze woorden schrijf, besef ik hoe echt het is geweest wat ons toen overkwam. En ook dat we nog niet klaar zijn met het verwerken van deze dingen. We zijn voorbij de angst, echt waar. Maar de impact is er nog steeds. En het heeft ons aangetast en het zal de dingen die we zeggen en doen en voelen blijven beïnvloeden, waarschijnlijk zolang we hier in Benin zijn. We zijn hier met overtuiging, en we doen wat we doen met overtuiging, ten behoeve van Gods kinderen in de ERCB. Maar als aan het eind van november het moment komt om definitief te vertrekken, dan zal dat Gods tijd zijn voor ons zowel als voor de kerken hier, en Gods tijd zal het goede moment te zijn.
En Calixte dan? Zijn tijd in de gevangenis zal lang duren, verwacht iedereen. We hopen oprecht dat God hem genoeg tijd geeft om te komen tot een verandering van hart, om Christus te leren kennen en uit te leren zien naar een beter leven. We weten dat jullie voor ons bidden. Zouden jullie ook voor hem een gebed over willen hebben?