Daar dacht
ik de laatste tijd geregeld aan, met een beetje zelfmedelijden. Tropenjaren,
het betekende volgens mij: ‘jaren die
niet zo gemakkelijk zijn’. En zo voelt het voor mij soms hier in Benin. Warme,
intensive, slopende jaren. Ik keek op Google voor een omschrijving van het
woord ‘tropenjaar’ en hier is het: “ tropenjaar. tro·pen·jaar
(het; o; meervoud: tropenjaren)
1: jaar, doorgebracht in de tropen2: slopend jaar”
Ja, ik had gelijk, doorgebracht in de warme tropen en slopend…….. zo voelt het ook vaak voor mij. Het is hier meestal zo warm en klam. Ik voel me vaak zo moe, zonder dat ik eigenlijk iets gedaan heb. De dingen die ik doe zijn vaak slopend, vergt veel energie. Ik kijk soms in de spiegel en denk dan: “Volgens mij, ben ik dubbel zo snel ouder geworden hier!” Het maakt het extra lastig voor mij, omdat we zo geïsoleerd wonen, we totaal geen contact met blanke mensen hebben, geen ‘echte’ vrienden en familie om ons heen. We zijn maar met z’n tweetjes, en dat is fijn, we houden van elkaar,…….maar toch………. niet even met de fiets langs een vriendin of even gewoon naar de winkel of even oppassen op een kleinkind, even bij mijn moeder langs, mijn zussen, een ‘gewoon’ gesprek, even domme lol hebben..….
Ach, ik weet nog wel, ik heb dat
gevoel van slopende jaren al vaker gehad. Drukke, intensive jaren, ook vaak met
het gevoel van “Ik heb zo’n behoefte aan een goed gesprek, een gezellig uitje.
Ik heb het gevoel dat ik tegenwoordig alleen op kinderniveau kan praten!” Dat
was in de tijd dat ik kleine kinderen had, 7 kinderen in 11 jaar (!), als
moeder die fulltime thuis was en die tijd was ook niet altijd gemakkelijk, het
waren drukke jaren, en toen ook ver weg van mijn familie in Nederland. Ik las
dit ook nog op Google bij het woord ‘tropenjaren’: “Moederschap: Tropenjaren: ‘Mijn baby wekt me elke ochtend om half zes,
mijn peuter wordt dan vaak ook wakker. Als die dan al blijft slapen, wordt ze
om zes uur wakker. Dat gaat nu al vijf maanden, ik weet niet hoe lang ik dat
nog kan volhouden..’ De moeder die ik aan de telefoon heb klinkt tamelijk
wanhopig. En het ergste is dat ik haar niet kan helpen of geruststellen: de
jaren met meerdere jonge kinderen zijn tropenjaren.” Het is vaak een moeilijke tijd, het
lijkt vaak allemaal een beetje te veel en het is gewoon vaak erg veel en een
mens mag heus wel eens zelfmedelijden hebben, toch?
Deze week waren we in Tchangba. Een klein dorpje, dicht bij de rivier die de grens is tussen Benin en Togo. Tchangba is een van de eerste gereformeerde kerkjes hier. Het is de verste ‘paroisse’ van de ERCB in de Mono Couffo en de mensen daar zijn arm, erg arm. Het dorp ligt in de vallei van de Mono rivier en geregeld, als het een erg nat seizoen is geweest, overstroomt het dorp. De lemen huisjes worden dan zelfs weggespoeld, dus alles moet dan steeds weer opnieuw opgebouwd worden. We kwamen daar gisteren onverwachts, gewoon even kijken hoe het gaat. Het dorpje is heel erg moeilijk te bereiken, de weg nauwelijks begaanbaar, grotere gaten dan op enig andere plek hier in de Mono Couffo. Sommige gedeelten van de weg helemaal onder water en je kon echt niet zien hoe diep het onder het water was en hoe groot de gaten, maar tot mijn grote angst wilde Joe toch doorgaan (hij geniet daarvan!) en ‘we made it’! We waren in Tchangba, de uithoek, het ‘gat’ van de Mono Couffo! In het begin van het dorpje staat het kerkje van de ERCB, een lemen gebouwtje, stoffig, een paar raampjes, zonder kozijn en zonder glas, een kapot, wankel tafeltje voorin, een paar bankjes, een oude tamtam ligt ergens in een hoekje (waar zijn de nieuwe bankjes en tamtam die ze zouden kopen met het ingezamelde geld die de kerken hier samen hebben bijeen gebracht op de feestelijke samenkomst vorig jaar? Of hadden ze het geld meer nodig voor het dagelijkse leven….)
Deze week waren we in Tchangba. Een klein dorpje, dicht bij de rivier die de grens is tussen Benin en Togo. Tchangba is een van de eerste gereformeerde kerkjes hier. Het is de verste ‘paroisse’ van de ERCB in de Mono Couffo en de mensen daar zijn arm, erg arm. Het dorp ligt in de vallei van de Mono rivier en geregeld, als het een erg nat seizoen is geweest, overstroomt het dorp. De lemen huisjes worden dan zelfs weggespoeld, dus alles moet dan steeds weer opnieuw opgebouwd worden. We kwamen daar gisteren onverwachts, gewoon even kijken hoe het gaat. Het dorpje is heel erg moeilijk te bereiken, de weg nauwelijks begaanbaar, grotere gaten dan op enig andere plek hier in de Mono Couffo. Sommige gedeelten van de weg helemaal onder water en je kon echt niet zien hoe diep het onder het water was en hoe groot de gaten, maar tot mijn grote angst wilde Joe toch doorgaan (hij geniet daarvan!) en ‘we made it’! We waren in Tchangba, de uithoek, het ‘gat’ van de Mono Couffo! In het begin van het dorpje staat het kerkje van de ERCB, een lemen gebouwtje, stoffig, een paar raampjes, zonder kozijn en zonder glas, een kapot, wankel tafeltje voorin, een paar bankjes, een oude tamtam ligt ergens in een hoekje (waar zijn de nieuwe bankjes en tamtam die ze zouden kopen met het ingezamelde geld die de kerken hier samen hebben bijeen gebracht op de feestelijke samenkomst vorig jaar? Of hadden ze het geld meer nodig voor het dagelijkse leven….)
Er is in
Tchangba veel armoede! Net als in de
andere dorpjes, hutjes van rode leem, met rieten daken, soms een metalen dak,
veel van de daken verroest en ingezakt. Verscheidene ruïnes van kapotte huisjes,
halve lemen muurtjes, nu als plekje voor de beesten of voor kinderen om in te
spelen. Overal zie je plekjes waar er gekookt kan worden, drie grote keien in
een rondje, een vuurtje in het midden en daar kan de kookpot bovenop pruttelen.
En de rommel…. de afval, …..de eeuwige zwarte plastic zakjes die hier overal
voor gebruikt worden, maar ook overal weggegooid worden (dat is echt een ware
ramp voor Benin!) Het dorpje zelf is de vuilnisbelt, lijkt het. Geitjes,
varkentjes, kippen met hun kuikentjes lopen overal rond, ze proberen eten te
vinden tussen de rotzooi en overal hangt de geur van poep (hopelijk alleen van
de beesten). En kinderen, heel veel kinderen van ongeveer drie jaar en ouder,
lopen ons tegemoet en achter ons aan “Yovo, yovo, bonsoir!”. Sommigen gekleed,
sommigen halfnaakt of naakt, stoffig en de meesten met dikke opgeblazen buikjes
en veel met een grote uitstekende navelbreuk (die zie je hier heel veel!) De
kinderen zijn blij om ons te zien, visite en dan ook nog Yovo’s! ‘Die hebben
vast wel iets voor ons bij zich!’ (we hebben meestal wel wat koekjes of snoep.)
De enige volwassenen die aanwezig zijn, zijn een paar oude vrouwtjes en twee
moeders. Iedereen anders is op de ‘champ’ - het land - aan het werk (de
kleinste kindertjes met de moeders mee.)
“Willen jullie Jonas spreken?” Jonas is de oudste (de leider) van het
kerkje hier. Ach, als hij druk bezig is op het land, dan willen we hem niet
storen! “Hij is aan het werk, maar het is dichtbij, we halen hem wel op!” Even
later, daar is hij, Jonas, de leider…….
Niet wat je verwacht van een leider, een verlegen man, klein van stuk, in zijn vieze werkkleding. Hij loopt altijd wat gebogen en kijkt altijd heel schuchter. We merken ook, eigenlijk zolang we hem al kennen, dat leider zijn een erge zware taak voor hem is. Hij heeft de driejarige opleiding van de I3B (bijbelopleiding voor kerkleiders) gedaan, hij heeft trouw alle lessen gevolgd, maar hij kon geen diploma krijgen, alleen een getuigschrift, dat hij meegedaan heeft. Als je hem zo ziet lijkt het alsof hij de zorgen van de hele wereld op zijn schouders heeft. Hij heeft het moeilijk, hij werkt hard, maar nauwelijks genoeg voor het dagelijks eten voor zijn gezin. Menselijk gezegd: zijn leven lijkt uitzichtloos, het leven is een ‘vechten tegen de bierkaai’ voor hem. Armoe, armoe, lijden, hij weet wat tropenjaren zijn……… Er is hier een kerkje, ze proberen zo goed als het kan hier kerk van Jezus Christus te zijn, maar hoe kunnen ze? Dat is het échte leven in de tropen……..
En dat zien we hier overal, misschien niet overal zo erg als in Tchangba, maar een moeilijk leven, overleven…… een tropenleven en tropenjaren die maar voortduren…….. Waar heb ik het dan over? Ik ben hier maar voor twee jaar en ook nog met tussenpozen! Die warmte, het gemis, maar toch ook een uitdaging, een ervaring, een verdieping…. en die jaren toen de kinderen nog klein waren, die eigenlijk ontzettend mooie, rijke en gezegende jaren waren. Waar heb ik het eigenlijk over!
En dan zitten we op zondag in de kerk
in Noumonvihoue, dat was afgelopen zondag. Joe preekte uit Handelingen, over het
verhaal van Filippus en de hoge ambtenaar, de eunuch, uit Ethiopië, die op weg
was naar Afrika vanuit Jerusalem. Hij was de profetieën van Jesaja aan het
lezen. Hij las, maar hij begreep het niet. Over het lam, het lijden, over de
man, die werd veracht, geminacht, maar die onze ziekten droeg, ons lijden. Maar
we wilden Hem niet, hij werd verstoten, geslagen, gebroken…….voor onze zonden.
Wie is die man waar de profeet over schrijft? Wie is die man, die is als een
lam, die naar de slacht werd geleid? En God stuurde Filippus, speciaal voor
deze man uit Afrika! Filippus legt het hem uit, ‘het Lam van God dat het lijden en de zonden op zich nam is Jezus, de
Zoon van God, die in Jeruzalem voor ons heeft geleden en is gestorven. Voor
ons! En het goede nieuws is ook voor jou en voor alle mensen in Afrika!’ En als er een plek is op de wereld waar
lijden is, dan is het wel in Afrika! Maar Hij droeg onze zonden, al onze zorgen.
Hij droeg al het lijden, ook voor Afrika, voor de Ethiopiërs , Oegandezen,
Nigerianen, de Beninesen! En het beste
komt nog, Hij heeft het beloofd!
Daar zitten wij dan in de kerk in
Noumonvihoue, het is waar en het is een prachtige belofte. Wij lijden nu, maar
alles komt goed! Het beste komt nog….. Ja, dat is gemakkelijk te zeggen voor
ons, mensen uit het rijke westen. Weten wij wat echt lijden is? Natuurlijk, er
is veel lijden en ziekte en verdriet overal, ook in Nederland, maar zo
uitzichtloos, zo machteloos als in Tchangba? Het ‘beste komt nog’, maar wanneer? God ziet toch wel hoe moeilijk het
leven nu is voor mensen als Jonas in Tchangba, de ‘malades’ in Madjrè, de jongelui in het kerkje in het heidense Noumonvihoue,
die niet veel toekomstperspectief lijken te hebben? Maar dan merk ik steeds
maar weer, en het maakt me klein en nederig, dat de mensen hier ook écht uitkijken en verlangen en zeker weten dat het ooit
écht goed komt. Ze geloven het echt! Elke keer weer, als we in
Madjrè zijn, of zondag in Noumonvihoue of eergisteren in Tchangba. Ze beamen het
steeds weer, ‘Ja, de Heer komt! Wij moeten geduldig zijn, maar Hij komt echt!’
De man uit Ethiopië ging op weg naar
Afrika, met vreugde! Hij was er zeker van: we moeten wachten, onz tropenjaren, maar
Gods tijd komt! Het Lam van God is nu bij Zijn Vader en Hij bidt voor Tchangba,
Madjrè, Noumonvihoue, voor Afrika, voor ons! De vergeving van onze zonden is er
al, dat geloven we zeker en als Hij terugkomt dan is er nooit meer lijden en
verdriet voor zijn kinderen in Afrika en in Nederland en overal op de wereld. Dan
zijn al die tropenjaren voor altijd voor iedereen voorbij! Die slopende,
moeilijke, intensieve jaren, die wij allemaal weer op een andere manier ervaren
en meemaken! ‘Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het
water dat leven geeft! Hij die van deze dingen getuigt zegt: “Ja, ik kom
spoedig!”’
Amen, kom Heer Jezus, ik zie er zo
naar uit!















