vrijdag 12 juli 2013

Tropenjaren


Daar dacht ik de laatste tijd geregeld aan, met een beetje zelfmedelijden. Tropenjaren, het betekende volgens mij:  ‘jaren die niet zo gemakkelijk zijn’. En zo voelt het voor mij soms hier in Benin. Warme, intensive, slopende jaren. Ik keek op Google voor een omschrijving van het woord ‘tropenjaar’ en hier is het: tropenjaar. tro·pen·jaar (het; o; meervoud: tropenjaren)
1: jaar, doorgebracht in de tropen
2: slopend jaar”
Ja, ik had gelijk, doorgebracht in de warme tropen en slopend…….. zo voelt het ook vaak voor mij. Het is hier meestal zo warm en klam. Ik voel me vaak zo moe, zonder dat ik eigenlijk iets gedaan heb. De dingen die ik doe zijn vaak slopend, vergt veel energie. Ik kijk soms in de spiegel en denk dan: “Volgens mij, ben ik dubbel zo snel ouder geworden hier!” Het maakt het extra lastig voor mij, omdat we zo geïsoleerd wonen, we totaal geen contact met blanke mensen hebben, geen ‘echte’ vrienden en familie om ons heen. We zijn maar met z’n tweetjes, en dat is fijn, we houden van elkaar,…….maar toch……….  niet even met de fiets langs een vriendin of even gewoon naar de winkel of even oppassen op een kleinkind, even bij mijn moeder langs, mijn zussen, een ‘gewoon’ gesprek, even domme lol hebben..….
Ach, ik weet nog wel, ik heb dat gevoel van slopende jaren al vaker gehad. Drukke, intensive jaren, ook vaak met het gevoel van “Ik heb zo’n behoefte aan een goed gesprek, een gezellig uitje. Ik heb het gevoel dat ik tegenwoordig alleen op kinderniveau kan praten!” Dat was in de tijd dat ik kleine kinderen had, 7 kinderen in 11 jaar (!), als moeder die fulltime thuis was en die tijd was ook niet altijd gemakkelijk, het waren drukke jaren, en toen ook ver weg van mijn familie in Nederland. Ik las dit ook nog op Google bij het woord ‘tropenjaren’: “Moederschap: Tropenjaren:  ‘Mijn baby wekt me elke ochtend om half zes, mijn peuter wordt dan vaak ook wakker. Als die dan al blijft slapen, wordt ze om zes uur wakker. Dat gaat nu al vijf maanden, ik weet niet hoe lang ik dat nog kan volhouden..’ De moeder die ik aan de telefoon heb klinkt tamelijk wanhopig. En het ergste is dat ik haar niet kan helpen of geruststellen: de jaren met meerdere jonge kinderen zijn tropenjaren.” Het is vaak een moeilijke tijd, het lijkt vaak allemaal een beetje te veel en het is gewoon vaak erg veel en een mens mag heus wel eens zelfmedelijden hebben, toch?
Deze week waren we in Tchangba. Een klein dorpje, dicht bij de rivier die de grens is tussen Benin en Togo. Tchangba is een van de eerste gereformeerde kerkjes hier. Het is de verste ‘paroisse’ van de ERCB in de Mono Couffo en de mensen daar zijn arm, erg arm. Het dorp ligt in de vallei van de Mono rivier en geregeld, als het een erg nat seizoen is geweest, overstroomt het dorp. De lemen huisjes worden dan zelfs weggespoeld, dus alles moet dan steeds weer opnieuw opgebouwd worden. We kwamen  daar gisteren onverwachts, gewoon even kijken hoe het gaat. Het dorpje is heel erg moeilijk te bereiken, de weg nauwelijks begaanbaar, grotere gaten dan op enig andere plek hier in de Mono Couffo. Sommige gedeelten van de weg helemaal onder water en je kon echt niet zien hoe diep het onder het water was en hoe groot de gaten, maar tot mijn grote angst wilde Joe toch doorgaan (hij geniet daarvan!) en ‘we made it’! We waren  in Tchangba, de uithoek, het ‘gat’ van de Mono Couffo! In het begin van het dorpje staat het kerkje van de ERCB, een lemen gebouwtje, stoffig, een paar raampjes, zonder kozijn en zonder glas, een kapot, wankel tafeltje voorin, een paar bankjes, een oude tamtam ligt ergens in een hoekje (waar zijn de nieuwe bankjes en tamtam die ze zouden kopen met het ingezamelde geld die de kerken hier samen hebben bijeen gebracht op de feestelijke samenkomst vorig jaar? Of hadden ze het geld meer nodig voor het dagelijkse leven….)

Er is in Tchangba veel  armoede! Net als in de andere dorpjes, hutjes van rode leem, met rieten daken, soms een metalen dak, veel van de daken verroest en ingezakt. Verscheidene ruïnes van kapotte huisjes, halve lemen muurtjes, nu als plekje voor de beesten of voor kinderen om in te spelen. Overal zie je plekjes waar er gekookt kan worden, drie grote keien in een rondje, een vuurtje in het midden en daar kan de kookpot bovenop pruttelen. En de rommel…. de afval, …..de eeuwige zwarte plastic zakjes die hier overal voor gebruikt worden, maar ook overal weggegooid worden (dat is echt een ware ramp voor Benin!) Het dorpje zelf is de vuilnisbelt, lijkt het. Geitjes, varkentjes, kippen met hun kuikentjes lopen overal rond, ze proberen eten te vinden tussen de rotzooi en overal hangt de geur van poep (hopelijk alleen van de beesten). En kinderen, heel veel kinderen van ongeveer drie jaar en ouder, lopen ons tegemoet en achter ons aan “Yovo, yovo, bonsoir!”. Sommigen gekleed, sommigen halfnaakt of naakt, stoffig en de meesten met dikke opgeblazen buikjes en veel met een grote uitstekende navelbreuk (die zie je hier heel veel!) De kinderen zijn blij om ons te zien, visite en dan ook nog Yovo’s! ‘Die hebben vast wel iets voor ons bij zich!’ (we hebben meestal wel wat koekjes of snoep.) De enige volwassenen die aanwezig zijn, zijn een paar oude vrouwtjes en twee moeders. Iedereen anders is op de ‘champ’ - het land - aan het werk (de kleinste kindertjes met de moeders mee.)  “Willen jullie Jonas spreken?” Jonas is de oudste (de leider) van het kerkje hier. Ach, als hij druk bezig is op het land, dan willen we hem niet storen! “Hij is aan het werk, maar het is dichtbij, we halen hem wel op!” Even later, daar is hij, Jonas, de leider…….

Niet wat je verwacht van een leider, een verlegen man, klein van stuk, in zijn vieze werkkleding. Hij loopt altijd wat gebogen en kijkt altijd heel schuchter. We merken ook, eigenlijk zolang we hem al kennen, dat leider zijn een erge zware taak voor hem is. Hij heeft de driejarige opleiding van de I3B (bijbelopleiding voor kerkleiders) gedaan, hij heeft trouw alle lessen gevolgd, maar hij kon geen diploma krijgen, alleen een getuigschrift, dat hij meegedaan heeft. Als je hem zo ziet lijkt het alsof hij de zorgen van de hele wereld op zijn schouders heeft. Hij heeft het moeilijk, hij werkt hard, maar nauwelijks genoeg voor het dagelijks eten voor zijn gezin. Menselijk gezegd: zijn leven lijkt uitzichtloos, het leven is een ‘vechten tegen de bierkaai’ voor hem. Armoe, armoe, lijden, hij weet wat tropenjaren zijn……… Er is hier een kerkje, ze proberen zo goed als het kan hier kerk van Jezus Christus te zijn, maar hoe kunnen ze? Dat is het échte leven in de tropen……..

En dat zien we hier overal, misschien niet overal zo erg als in Tchangba, maar een moeilijk leven, overleven…… een tropenleven en tropenjaren die maar voortduren…….. Waar heb ik het dan over? Ik ben hier maar voor twee jaar en ook nog met tussenpozen! Die warmte, het gemis, maar toch ook een uitdaging, een ervaring, een verdieping…. en die jaren toen de kinderen nog klein waren, die eigenlijk ontzettend mooie, rijke en gezegende jaren waren. Waar heb ik het eigenlijk over!

En dan zitten we op zondag in de kerk in Noumonvihoue, dat was afgelopen zondag. Joe preekte uit Handelingen, over het verhaal van Filippus en de hoge ambtenaar, de eunuch, uit Ethiopië, die op weg was naar Afrika vanuit Jerusalem. Hij was de profetieën van Jesaja aan het lezen. Hij las, maar hij begreep het niet. Over het lam, het lijden, over de man, die werd veracht, geminacht, maar die onze ziekten droeg, ons lijden. Maar we wilden Hem niet, hij werd verstoten, geslagen, gebroken…….voor onze zonden. Wie is die man waar de profeet over schrijft? Wie is die man, die is als een lam, die naar de slacht werd geleid? En God stuurde Filippus, speciaal voor deze man uit Afrika! Filippus legt het hem uit, ‘het Lam van God dat het lijden en de zonden op zich nam is Jezus, de Zoon van God, die in Jeruzalem voor ons heeft geleden en is gestorven. Voor ons! En het goede nieuws is ook voor jou en voor alle mensen in Afrika!’   En als er een plek is op de wereld waar lijden is, dan is het wel in Afrika! Maar Hij droeg onze zonden, al onze zorgen. Hij droeg al het lijden, ook voor Afrika, voor de Ethiopiërs , Oegandezen, Nigerianen, de Beninesen! En het beste komt nog, Hij heeft het beloofd!

Daar zitten wij dan in de kerk in Noumonvihoue, het is waar en het is een prachtige belofte. Wij lijden nu, maar alles komt goed! Het beste komt nog….. Ja, dat is gemakkelijk te zeggen voor ons, mensen uit het rijke westen. Weten wij wat echt lijden is? Natuurlijk, er is veel lijden en ziekte en verdriet overal, ook in Nederland, maar zo uitzichtloos, zo machteloos als in Tchangba? Het ‘beste komt nog’, maar wanneer? God ziet toch wel hoe moeilijk het leven nu is voor mensen als Jonas in Tchangba, de ‘malades’ in Madjrè, de jongelui in het kerkje in het heidense Noumonvihoue, die niet veel toekomstperspectief lijken te hebben? Maar dan merk ik steeds maar weer, en het maakt me klein en nederig, dat de mensen hier ook écht uitkijken en verlangen en zeker weten dat het ooit écht goed komt. Ze geloven het echt! Elke keer weer, als we in Madjrè zijn, of zondag in Noumonvihoue of eergisteren in Tchangba. Ze beamen het steeds weer, ‘Ja, de Heer komt! Wij moeten geduldig zijn, maar Hij komt echt!’  

De man uit Ethiopië ging op weg naar Afrika, met vreugde! Hij was er zeker van: we moeten wachten, onz tropenjaren, maar Gods tijd komt! Het Lam van God is nu bij Zijn Vader en Hij bidt voor Tchangba, Madjrè, Noumonvihoue, voor Afrika, voor ons! De vergeving van onze zonden is er al, dat geloven we zeker en als Hij terugkomt dan is er nooit meer lijden en verdriet voor zijn kinderen in Afrika en in Nederland en overal op de wereld. Dan zijn al die tropenjaren voor altijd voor iedereen voorbij! Die slopende, moeilijke, intensieve jaren, die wij allemaal weer op een andere manier ervaren en meemaken! ‘Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft! Hij die van deze dingen getuigt zegt: “Ja, ik kom spoedig!”’

Amen, kom Heer Jezus, ik zie er zo naar uit!

donderdag 4 juli 2013

Calixte (Joe's blog, vertaald)

Lever. De weeïge geur van rauwe lever doordringt alles. Marijke zegt: nee, wat je ruikt zijn vitamineB-injecties. Maar voor mij is het de geur van lever, zwaar en plakkend, in de beklemmende warmte van de gang van het ziekenhuis. Aan het eind van de gang, waar we nu inmiddels al twee uur geleden waren begonnen, is het meer chloorxylenol wat je ruikt, beter bekend als het ontsmettingsmiddel Dettol. Maar waar wij zitten hangt er geen reinheid in de lucht. Drie of vier deuren verderop een vrouw die met steeds kortere tussenpozen gilt van de pijn. Het is alleen maar gissen wat daar voor slachterij gebeurt. Niemand anders besteedt er aandacht aan. Niet het kleine meisje op de bank naast ons, zittend in slaap gevallen. Niet het gezin dicht tegen elkaar aan iets verderop. Niet de moeder die in de deuropening haar zoontje de borst geeft.
We zijn in Lokossa, in afwachting van ons medisch dossier, gedateerd 01 - 03 februari 2012. Samen met Grégoire - broeder, vriend en gids – zijn we hier vanmorgen om ongeveer elf uur gekomen. We hadden verwacht vandaag de commissaris van Dogbo te vergezellen naar de procureur om het dossier  af te geven van de zaak tegen Calixte, de man die ons nu een jaar en vijf maanden geleden gedrogeerd en beroofd heeft. Maar het kantoor van commissaris David Gandonou was vanmorgen vol opgewonden vrouwen. De één na de ander erkende of ontkende betrokkenheid bij de man die ineengedoken zat op de stoel voor de politiechef. Het is hier in Benin heel normaal: te verschijnen voor een afspraak en te ontdekken dat de persoon die we moeten spreken volop bezig is met andere zaken. En ook geen privacy-regels: we werden naar een stoel naast de commissaris toegewuifd en mochten delen in de geneugten van het politieonderzoek. Na ongeveer 20 minuten, stelden we voor dat het misschien beter zou zijn om later terug te komen, want er was ook nog de kwestie van ons medisch dossier. Toestemming verleend, vertrokken we naar Lokossa. Grégoire had vooruit gebeld. Grégoire kent een ongelooflijke verscheidenheid aan mensen, in dit geval iemand hoog in de hiërarchie van het ziekenhuis, die had beloofd om ons voor te stellen aan het hoofd van de spoedopnames.
Maar misschien moet ik even een stapje terug doen en jullie vertellen wat er aan de hand is. Afgelopen vrijdag was Grégoire bij ons gekomen met nieuws: KPOGLOZOUN Calixte was opnieuw gearresteerd, en was in de prison civile bij Lokossa. Calixte is de man die wij kenden  als Ben Ali. Na het geweldsincident vorig jaar vluchtte hij. Enkele maanden later echter was hij betrokken geweest bij een ander misdrijf, de diefstal van een laptop, en veroordeeld tot een jaar in de gevangenis van Ouidah. Daar zijn we toen geweest om hem te identificeren, terwijl het bewijs tegen hem werd samengebracht. Maar toen we in oktober terugkwamen om het dossier te voltooien, werden commissaris David en wij onaangenaam verrast door het nieuws van zijn vervroegde vrijlating een paar weken eerder. Een presidentieel pardon voor kleine criminelen in heel Benin was per ongeluk ook toegepast op Calixte. Na die ongelukkige vergissing ging de klopjacht door, maar wij hadden allang de hoop opgegeven dat die met succes zou worden afgerond.
Tot afgelopen vrijdag: Grégoire, met diverse bekenden en politie-informanten, was doorgegaan met zoeken naar z’n verblijfplaats en om in samenwerking zijn arrestatie te bereiken. Een doorbraak was gekomen toen een vriend van Calixte - waarschijnlijk verstandig om hem naamloos te houden – ook slachtoffer werd. Op zoek naar wraak had deze man afgesproken om mee te werken met het onderzoek. En afgelopen donderdag was Calixte dan eindelijk gepakt.
Gisteren gingen we naar de gevangenis voor de tweede confrontatie. Dat had heel wat voeten in aarde, zoals we inmiddels gewend zijn. Allereerst, net als de vorige keer, werd van ons verwacht de politiechef en degenen die ons zouden vergezellen te vervoeren. Maar pas na eindeloos wachten in zijn kantoor, terwijl de chef diverse andere zaken afhandelde. De HiLux werd afgeladen met onszelf (voorin), de politiechef, zijn adjunct, een agent, en Grégoire achterin. Vier grote mannen op de achterbank was flink proppen. Maar halverwege Lokossa stopten we nog eens een keer, voor een andere passagier: de gewezen vriend die eveneens mee zou komen. Deze man was nog groter dan de commissaris. Geen probleem, zei de commissaris, hij kon op de voorstoel zitten met Marijke op schoot. Ik dacht het niet!, zei Marijke. Bij Grégoire op schoot, misschien... Uiteindelijk hebben Marijke en ik de passagiersstoel voorin gedeeld en Grégoire ging achter het stuur. Hij is tenslotte chauffeur. En ik zit liever ongemakkelijk met Marijke dan haar aan één van de alternatieven onderwerpen.

Aangekomen in Lokossa, gingen we niet direct naar de gevangenis. In plaats daarvan moesten we op zoek naar een kapper. Commissaris David had besloten dat hij nodig een scheerbeurt moest hebben. Pas een half uur later stopten we voor de poorten van de gevangenis. Een stuk of dertig bezoekers hadden zich daar verzameld, elk met een nummer dat de volgorde aangaf waarin ze hun eigen zoon of echtgenoot of vader zouden kunnen bezoeken. Het plan was voor de gewezen vriend om zich daarbij te voegen, te wachten op zijn beurt, Calixte te bezoeken om hun onderlinge ruzie bij te praten, en vervolgens door de commissaris ‘toevallig’ onderbroken te worden tijdens het gesprek. Het doel was Calixte  door de vriend aan te laten wijzen als de persoon waarnaar de politie op zoek was geweest, zonder zijn eigen samenwerking met de politie te verraden. (Nee, vraag me niet naar de precieze relevantie of logica van deze methode.) Alleen: zelfs naar Afrikaans tijdsbegrip leek het wat onhandig om in de rij te gaan staan met zo’n dertig man voor ons. Dus de commissaris besloot de chef van de gevangenis te bellen. Inderdaad, misschien was het handig geweest om dat van tevoren te hebben gedaan, maar time-management is blijkbaar niet één van de vakken die op de politieschool gegeven wordt.
De chef van de gevangenis was behulpzaam. Hij zei: maar waarom probeer je niet iets anders? Neem de informant mee naar binnen als gevangene, en doe alsof je hem ertoe dwingt om te reageren. Algemene verrassing. Wat een goed idee! zei de commissaris. Dus reden we weer van de parkeerplaats af om de chef wat tijd te gunnen om zaken te regelen. Maar ho eens even, zei de commissaris, om dit te laten werken, moeten we onze vriend in de boeien slaan. En die hebben we niet bij ons. We parkeerden de HiLux langs de weg die naar de gevangenis loopt en wachtten daar op de aankomst van een agent van station Lokossa met handboeien.
Twintig minuten later waren we er weer. Toepasselijk geïntimideerd liet de gewezen vriend zich als een volleerd acteur het kantoor van de chef van de gevangenis binnen duwen  door de potige agent, met ons in hun kielzog. En daar zat Calixte, ogen wijd van verbazing. Kent u deze man? begon het verhoor. J-j-ja, kwam het antwoord. Wat is zijn naam? Stilte. De agent gaf een lichte tik tegen het hoofd onze vriend. Calixte! Zijn naam is KPOGLOZOUN Calixte! En zo ging het door. Dingen die Calixte hem had verteld. Ook over wat er die noodlottige dag in februari was gebeurd. Calixte luisterde. Zijn aanvankelijke zelfvertrouwen verdampte  - want hij was begonnen door alles te ontkennen. Hij had ons van z’n leven nooit gezien. Hij had geen idee wie we waren. Nee, hij herkende niet het huis op de foto. Ja, die andere man was wel zijn vriend, maar nee, er was nooit een probleem tussen hen geweest. Maar terwijl  de ondervraging vorderde kromp hij steeds verder ineen. Hij gaf zijn misdaad tegen ons niet toe, maar uiteindelijk was er niet aan te ontkomen dat ja, dit zijn huis was, en ja, hij de Calixte uit Agame was die door de chef du quartier was aangewezen, etc. etc.
Wat voelden we, tijdens deze gestage deconstructie van een geharde crimineel? Geen angst. Geen ongemak. Niet zoals de eerste keer. Hij ontweek onze blikken. Er was niets meer over van bravoure, van verzet, van sluwheid. Wat we zagen was het zielige overblijfsel van de  man die we ooit hadden gekend. Wat een zonde van een mensenleven! En wat verdrietig dat zijn kinderen zoiets hadden als vader! We verlieten de gevangenis eigenlijk zonder erg veel te voelen. Zelfs niet voldoening dat het recht nu z’n weg zou vinden.
We gingen naar een buvette met de commissaris en zijn mannen om te lunchen. Inmiddels was het rond half twee. Wij betaalden voor de rijst, geit, saus, en bier. Geen vragen nu, zei de commissaris. Pas nadat we hebben gegeten. Delen van een maaltijd in Afrika heeft niets met gezelligheid te maken. Het is alleen maar om te eten. En na de lunch vertrokken we weer naar Dogbo. Niemand had veel energie om te  praten.
Terug in Dogbo besproken we wat er vervolgens zou gaan gebeuren. Breng me al jullie medische ontvangstbewijzen, zei de commissaris. Natuurlijk hadden we die niet meer. Maar ik zei jullie vorig jaar toch dat je ze allemaal moest bewaren? Niet dat we ons kunnen herinneren, zijn Marijke en ik het er over eens. Maar wat dan nog? Iedereen, ook de commissaris zelf, is in het ziekenhuis op bezoek geweest terwijl we in coma lagen. Geen twijfel over de toestand waar we in verkeerden,  toch? Maar er was geen ontkomen aan. Je zult naar het ziekenhuis in Lokossa moeten en het medisch dossier moeten opvragen. Het bewijs van de ernst van de toestand. En daarna ook het dossier van de Mahouna Clinic in Cotonou.
Dus dat is wat we vanochtend en vanmiddag in het ziekenhuis deden. Van de bekende van Grégoire, door naar de majeur. Van de majeur naar het centrale register. Van het centrale register naar de behandelende arts. Van de arts naar ... En dit is de korte versie. Uren wachten. Uren in de geur van lever en chloroxylenol. Uren om steeds duidelijker te beseffen: dit was waar we toen echt zijn geweest. Bewusteloos vanaf onze opname in de vroege avond van 1 februari tot ons vertrek in de middag van de 3e, toen Richard de artsen overrulede en ons overbracht naar Cotonou.
Marijke heeft absoluut geen herinneringen aan ons verblijf in Lokossa. Ik herinner me drie dingen, heel vaag. De ruwe schok van een katheter die werd verwijderd en het kleine stroompje van geronnen bloed en urine die daarop volgde. Neergedrukt worden – ik denk door Mariette – toen ik van bed wilde klimmen ​​om naar Marijke toe te lopen, in haar bed aan de andere kant van de kamer. En een excursie die ik ’s nachts gemaakt heb door de binnenplaats. Ik herinner me dat op een vreemde droomachtige manier. Zo’n droom ken je vast wel: dat je half bewust bent van het zijn in een vreemde omgeving, met geen besef van waar je vandaan kwam of waar je heen gaat, waarom je er bent, hoe deze gebeurtenis in verband staat met de rest van je leven of wie de mensen zijn om je heen. Ik stond vanmiddag bij de deur terwijl we wachtten op de dokter en ik herinnerde me plotseling hoe ik hier over de gewelfde veranda rondom de binnenplaats liep, midden in de nacht. Alles was donker, alles was stil. Ik weet niet meer hoe ik onze kamer terugvond, hoewel dat natuurlijk wel gebeurd is. Mariette, die de nacht doorbracht bij ons op de afdeling, was wakker geworden en ontdekte dat ik was verdwenen. Zij had de verpleegster geroepen en ze hadden op het punt gestaan om een ​​zoektocht te organiseren toen ik weer binnenliep, totaal onbewust van de schrik die ze hadden ondergaan. In het ziekenhuis te zijn vandaag en die herinneringen te ondergaan deed me opnieuw realiseren: het is ons allemaal echt overkomen.
We zijn hier geweest. We hadden dood kunnen zijn, maar dankzij God en dankzij een aantal geweldige mensen, staan we hier vandaag nog.
Later op de middag hadden en Marijke en ik beiden weer zo’n moment. We waren voor de vierde keer in twee dagen weer terug bij de commissaris. Hij had ontdekt dat het dossier wel een verklaring van mij bevatte, maar niet een van Marijke. Dus nu was het haar beurt. Dat ging eigenlijk best goed, zonder teveel ongemak voor haar of verrassingen voor mij. Behalve dat ik me voor de eerste keer realiseerde dat Marijke’s herinnering van het incident zoveel eerder ophoudt dan dat van mij.
Maar daarna besloot de commissaris om mijn verklaring van afgelopen februari hardop voor te lezen. Iemand anders horen voorlezen wat ik toen had verteld was onverwacht confronterend. De gebeurtenissen volgden elkaar weer een voor een op. Mijn eerste ontmoeting met Calixte. De manier waarop hij ons vertrouwen won door interesse in de Bijbel te tonen. De uitnodiging voor de verjaardag van zijn zoontje ’s middags op 1 februari. Hoe hij ons degue te drinken gaf, de yoghurt-achtige drank waarin het middel zat dat ons bijna het leven kostte. Hoe Marijke haar bewustzijn verloor en ik alleen maar dacht, hé, dat is apart. Hoe ik op stond om terug naar Dogbo  te rijden, en er ook daadwerkelijk aankwam, ondanks mijn toenemende beneveling. Hoe wij samen Marijke in huis droegen, en hoe daarna het gordijn van duisternis ook voor mij viel. Eventjes dacht ik vanmiddag, en dat zei ik tegen Marijke: hij was eigenlijk niet een heel slimme dief, hè? Om dit in zijn eigen huis te proberen, die wij later gemakkelijk zouden kunnen aanwijzen.
Tot ik plotseling besefte: maar het was ook niet zijn bedoeling dat er voor ons een later zou zijn. Dat we met hem terug zouden gaan naar Dogbo. Het was alleen omdat ik was niet zo zwaar onder de invloed was als Marijke en er op aandrong om naar huis te rijden. Waar we later gevonden konden worden door Joseph. En meegenomen naar dit ziekenhuis. Waar we  later wakker konden worden. Alleen daarom waren we er vanmiddag nog. En nu weer, terwijl ik deze woorden schrijf, besef ik hoe echt het is geweest wat ons toen overkwam. En ook dat we nog niet klaar zijn met het verwerken van deze dingen. We zijn voorbij de angst, echt waar. Maar de impact is er nog steeds. En het heeft ons aangetast en het zal de dingen die we zeggen en doen en voelen blijven beïnvloeden, waarschijnlijk zolang we hier in Benin zijn. We zijn hier met overtuiging, en we doen wat we doen met overtuiging, ten behoeve van Gods kinderen in de ERCB. Maar als aan het eind van november het moment komt om definitief te vertrekken, dan zal dat Gods tijd zijn voor ons zowel als voor de kerken hier, en Gods tijd zal het goede moment te zijn.
En Calixte dan? Zijn tijd in de gevangenis zal lang duren, verwacht iedereen. We hopen oprecht dat God hem genoeg tijd geeft om te komen tot een verandering van hart, om Christus te leren kennen en uit te leren zien naar een beter leven. We weten dat jullie voor ons bidden. Zouden jullie ook voor hem een gebed over willen hebben?


zaterdag 29 juni 2013

Och, die lieverd...

“Pasteur, hebben jullie er al over na gedacht? “ “Waarover?”, “over mijn reis naar Nederland met jullie…” Och, hoe reageer je daar nu op? Die vraag werd vorige week aan Joe gesteld, door Synthia, de 11-jarige dochter van onze Mariëtte. Zijn eerste reactie was, even haar een knuffel geven en: “Och, mijn lieverd, dat gaat niet zo gemakkelijk, dat kan niet zo maar. Het is heel duur, je hebt een paspoort nodig en een visum….”
Een paar weken geleden vroeg Synthia mij dat de eerste keer. “Madame, ik zou heel graag eens met jullie naar Nederland willen, kan dat?” Dat was zo terloops, tussendoor, ik kwam haar even tegen, toen ik net iets moest doen. Het enige wat ik toen antwoordde was: “Dat lijkt me heel leuk, maar dat gaat niet zo gemakkelijk.” Meer niet, maar ze had dus nog steeds hoop dat het zou kunnen, met ons mee, naar Nederland.  Synthia heeft een paar keer een briefje geschreven aan Eva, onze kleindochter (ook 11) in Goes, Eva had ook teruggeschreven met een klein cadeautje. Ik had al eens wat foto’s van Eva laten zien op de laptop en Synthia is denk ik gaan dromen….dromen mag toch? Maar is het wel reëel? Zo’n meisje uit Benin even op reis naar Nederland? Voor een volwassen persoon is dat al een hele cultuurshock. Hoe zou zo’n meisje dat allemaal ervaren, hoe zou ze terugkomen?                                                                    
Toen we Synthia voor het eerst ontmoetten, vroegen we haar wat ze later wilde worden; “soeur” zei ze. Zoals in Nederland veel meisjes zeggen dat ze verpleegster willen worden, denk je waarschijnlijk, maar nee, Synthia vertelde dat ze soeur, non, wilde worden. Liefst als onderwijzeres op een katholieke school of verpleegster in een ziekenhuis was ook wel goed. Hoe komt zo’n meisje daarbij?
Wij logeren tegenwoordig geregeld bij de Soeurs de Notre Dame in Cotonou. Nu we geen collega’s daar meer hebben is er ook geen vast logeerplekje daar meer voor ons. Zo nu en dan gaan we naar Hotel Du Lac, een beetje luxueuzer, met een restaurant en een heerlijk zwembad. Maar tegenwoordig dus ook bij de soeurs, dat is minder luxueus, maar wel heel wat goedkoper. Het is daar heel basaal, een kamertje voor ons tweeën, een douche, w.c. en we kunnen zelfs met airco kiezen, er is zelfs een klein ontbijtje van brood, jam, thee en een sinaasappel. We zien daar hoe soeurs hier leven. Ook heel basaal, maar wel veilig lijkt mij, zo samen. Ze eten samen, in de ochtend vroeg zingen ze samen het ochtendgebed, s ’avonds hoor je ze weer samen zingen, voor het avond eten, ik hoor ze ook lol hebben samen. Ze hebben overdag allemaal een taak, ze doen volgens mij allemaal een soort maatschappelijk werk, in de wijken, in scholen, bij allerlei kinderopvang. Ze werken hard, ze leven niet met overvloed en luxe, maar het lijkt me wel veilig, rustig, weten waar je aan toe bent en dat je ergens bij hoort. En dat ziet zo’n meisje als Synthia, ze ziet de soeurs op school, in hun kerk, in het dorp. En ze vergelijkt ze met de andere vrouwen om haar heen, haar moeder, haar oma’s , haar tantes. Het leven van vrouwen is hier niet erg gemakkelijk, niet veilig.  Ik zeg niet dat het leven van alle vrouwen in Nederland makkelijk is, maar het is hier echt anders, echt moeilijker, en harder, wat voor mooie romantische dingen je maar ook wilt bedenken over ‘down to earth life’ en ‘back to basics’ in het zonnige, nietwesterse Afrika! Het leven voor vrouwen hier is vaak echt niet fijn!
Synthia ziet dat, heeft het zelfs zelf meegemaakt! Toen ze heel klein was is haar vader overleden en omdat haar moeder niet de eerste vrouw was van haar vader, kreeg haar moeder niets en werd ze zelfs weggestuurd uit het huis dat ze met haar man, de vader van haar drie kinderen, deelde. In het begin kon haar moeder nog wel voor zichzelf en de kinderen zorgen, want ze vond een baantje bij de Artsen Zonder Grenzen, maar die hield op en toen kon ze niet meer zelf voor haar kinderen zorgen. Die werden ondergebracht bij familie en Synthia’s moeder ging samen wonen met een man, als tweede vrouw, hij beloofde om voor haar te zorgen, maar niet voor haar kinderen. Synthia en haar twee broertjes woonden ieder op een andere plek, elk in een ander gezin, niet veilig bij eigen broertjes en moeder, haar eigen gezin. Het leven van Synthia’s oma is het zelfde verhaal als die van haar moeder, ook een tweede vrouw van een man en ook weer verlaten, haar tantes zitten ook vaak in de zelfde situatie en als ze naar de generaties eerder kijkt,  was het ook niets beter, haar andere oma is ook een van vier vrouwen, haar overgrootvader had iets van vijftien vrouwen of zelfs meer. Ze ziet de jalousie  tussen vrouwen zoals haar moeder en de andere vrouwen, haar tantes en hun mannen. Ze ziet de armoe doordat de mannen hun grote gezinnen niet (kunnen) onderhouden. De moeders die hard moeten werken en maar geen geld genoeg hebben om hun kinderen te kleden en te voeden en naar school te sturen. Grote, uitgebreide gezinnen die niet gezellig en veilig bij elkaar wonen.
En dan ziet Synthia die soeurs,  die op school werken, in hun mooie blauwe jurken en hun mooie verpleegsterskapjes. Ze kijken vaak blij en vriendelijk, ze hebben een leuke baan en wonen meestal in een groot huis, samen met andere vrouwen zoals zij. Ik kan het begrijpen dat dat haar keuze is voor later….. veiligheid en geborgenheid.
Maar sinds een jaar woont ze weer samen met haar moeder en haar nu inmiddels, vier broertjes, ze wonen samen in het huisje achter het kantoor van DVN. Na de vakantie gaat ze voor het eerst naar het voorgezet onderwijs van de katholieke kerk. Haar moeder werkt nu voor de jovo Pasteur en Madame, die in een auto rijden, in een mooi huis met een grote, groene tuin wonen en die ook nog foto’s aan haar laten zien van hun kleinkinderen in Nederland. Een foto van Eva op haar sportschool, één van dat ze met vakantie is; ze hoort dat Eva op de fiets naar school gaat en in een mooi huis woont met haar hele gezin, inclusief haar vader. Toch heel logisch dat Synthia mij dat die eerste keer vroeg? “Madame, ik zou heel graag met jullie naar Nederland willen, kan dat?”
Ik zou het haar van harte gunnen, haar broertjes ook. Ik zou het zo veel mensen gunnen, ook vaak als ik in Madjrè ben en die lieve Rebecca zie of Edo of anderen daar. Wat zou het in Nederland een stuk beter zijn voor hen, wat zouden ze daar veel meer kansen hebben!
Maar is het wel reëel? Zo’n lief meisje uit Benin even op reis naar Nederland? Het zou zo mooi kunnen zijn, even alles meemaken, alles even zien van hoe een meisje zoals Eva leeft. Een mooi huis, een luxe school, mooi speelgoed, een fiets, vriendinnen waar je zo maar even de stad mee in kunt gaan, een gezin dat compleet is, die samen in een huis woont, met een pappa en een mamma die van elkaar houden. Maar dan moet ze weer terug, naar haar familie, naar haar land.  Zelfs al wilde ze het, Synthia zou hier niet eens mogen en kunnen blijven, geen kans. Ze zou weer terug moeten, ze zou nooit een verblijfsvergunning krijgen. En dan zou ze teruggaan en wat dan, hoe zou ze alles in Benin dan weer ervaren? Nee, het zou niet goed zijn als ze met ons mee ging….
Nee, ik zeg heus niet dat Nederland beter is, dat wij het allemaal beter doen. Ik zie in Benin ook heus wel prachtige dingen, moeders die van hun kinderen houden, vaders die van hun kinderen houden, vaders die wel bij hun ene vrouw wonen en van haar houden, meisjes die wel de kans krijgen om te studeren en een leuke baan en man vinden. In Nederland is er ook vaak verdriet in gezinnen, gebroken gezinnen, ook armoe en ziekte, ook kinderen die daar onder gebukt gaan. Maar toch, de kinderen in Nederland hebben wel veel meer kansen. Kinderen daar hebben in ieder geval hun rechten en vrouwen ook en dat is het grote verschil met een land zoals Benin.
Ik hoop en bid dat Synthia een mooie toekomst heeft, in Benin, of misschien ergens anders, met wat voor opleiding of baan ook, iets waar ze haar talenten kan gaan gebruiken, met iets wat haar gelukkig maakt. Wij helpen haar moeder met het schoolgeld voor de kinderen, we willen dat ook blijven doen, als wij straks weer in Nederland zijn. Ik hoop dat Synthia daardoor wat meer kansen krijgt en als ze wil, kan ze soeur worden. Wij spraken een van de soeurs in Cotonou en die zei dat ze voor haar werk een paar keer in Nederland was geweest. Misschien krijgt Synthia die kans ooit ook, je weet maar nooit!
Die lieverd!

dinsdag 25 juni 2013

Vovokame

Vorig jaar september kwamen voor het eerst in contact met de jonge mensen die een kerkje wilden beginnen in Vovokame. Onze vriend Grégoire wil graag dat iedereen enthousiast wordt over God, de Bijbel, de kerk. Daarom had hij vaak over ‘de weg, de waarheid en het leven’ gehad met de inwoners daar. En hij had een groepje van jonge mensen gestimuleerd om samen een kerkje te beginnen daar. Daar heb ik een vorige blog al eens over verteld…..
Ik schreef ook over de leider (L) van dit groepje, L en zijn vrouw en de tweeling waarvan eentje gestorven was. Ik schreef dit toen later: “na de afloop van de lessen zijn we nog met L naar zijn huisje geweest. Het gaat niet goed met het overgebleven meisje van de tweeling. Ze groeit niet, ze is erg ziek, menselijk gesproken gaat ze ook sterven. We hebben met hem gesproken en met hem gebeden, hem bemoedigd.”
Vorige week zagen we dit gezin, een blijde vrouw met een heel lief gezond klein meisje op haar schoot. Ja, alles was goed en gezond en het was alsof het baby’tje mij wilde laten zien dat alles goed was, ze lachte zo lief naar me zoals een klein kindje van een half jaar alleen maar kan doen. God is goed, hij heeft naar de gebeden geluisterd! Maar hoe gaat het verder in Vovokame? Deze brief schreef ik gisteren naar mijn broer, die hier al twee keer geweest is en inmiddels een goede vriend van Grégoire is geworden:

Maandag, 24 juni 2013
Lieve Jurrien,
Ik heb zin in dat je komt, Joe trouwens ook. Lekker, nog even en jij bent er. Grégoire heeft er ook zin in. Hij ziet er naar uit om je kennis te laten maken met het groepje jongelui in zijn geboortedorp Vovokame. Grégoire heeft zo’n hart voor de zaak daar! Na jouw vertrek in augustus is hij echt bezig gegaan in zijn geboortedorpje. Hij was al langere tijd bezig om de mensen uit zijn dorp over zijn verandering te vertellen en de mensen daar zagen zijn verandering ook. Ze waren nieuwsgierig naar de reden en wilden dat zelf ook. Hij merkte dat er vooral jongelui waren die op een andere manier kerk wilden zijn dan de kerk in hun dorp. In hun dorp is er al jaren een kerk, ‘Reveil’, een soort Pinkstergemeente. Het is een grote kerk, maar volgens hen een kerk met  veel mensen en zelfs leiders, die het heidendom nog niet echt afgezworen hebben. Dat zie je hier veel, nog veel gewoonten en angst daardoor. Ook waren er bij dat groepje jongelui een paar die niet eerder naar een kerk gingen. En er waren drie (jonge) volwassenen mannen, L(de leider), zijn broer X en J-M (die Grégoire had gekozen als diaken) en natuurlijk Grégoire, maar hij wil niet de leider zijn. Hij is dus begonnen met dat groepje, met ondersteuning van ons en Théophile en nu ook Romain (de nieuwe pasteur). We vonden het toen eigenlijk wel snel, hoe hij een leider en een diaken had uitgekozen, maar toen we echt de eerste officiële dienst hadden, hoorden we dat iedereen met die keuze blij was en er mee eens was. Achteraf was het toch niet een goede keuze, maar hoe konden wij dat weten….L, de gekozen leider, de persoon waar ik al eens over had geschreven, toen zijn vrouw een tweeling kreeg en een van de tweeling snel stierf, was achteraf geen goede leider. Hij en zijn broer X, leken erg blij te zijn met de nieuwe groep, ze wilden een echte gereformeerde kerk, zoals Grégoire hen uitgelegd had. Maar achteraf hebben we gemerkt dat zij het alleen voor financiële winst wilden doen.  L blijkt achteraf ook alcoholist te zijn en staat in het dorp bekend als iemand die niet te vertrouwen is. Waarom had Grégoire hem dan gekozen? Hij dacht echt dat L en zijn broer een nieuw begin wilden maken, dat ze echt de Here wilden volgen. Jammer, maar achteraf heeft L dus laten zien dat hij toch niet te vertrouwen is……
We hadden, nog voor we naar Nederland gingen afgelopen april, gezegd dat we ze wel wilden helpen om een dak te maken voor hun kerkje. Het palmbladeren dakje was niet goed voor in het regenseizoen en niet sterk genoeg tegen de wind. Als zij, als groep, samen het geld bij elkaar zouden brengen voor de frame en die zouden maken, dan zouden wij het dak als cadeau geven. Joe en Grégoire en L en nog een andere jongen zijn langs wat plekjes geweest waar ze metalen dakplaten verkochten en ze zouden samen kijken wat de beste prijs zou zijn. Joe had toen het gevoel dat L het niet leuk vond dat Joe mee was, om zelf te zien wat de prijs zou zijn en dat hij het zelf ook wilde betalen. Toen het gekocht en betaald was, zouden de dakplaten naar Vovokame gebracht worden met onze auto. Maar Joe merkte dat L ruzie met Grégoire aan het maken was en hij vertrouwde het allemaal niet meer zo. Hij is toen naar ons huis gereden en toen ze daar stopten, zei hij dat er volgens hem iets aan de hand leek te zijn. Ze wilden het niet vertellen en Joe zei dat hij dan eerst de platen hier bij ons in de tuin wilde leggen en dat hij dan eerst wilde dat Grégoire  en L eerst samen gingen praten. Later hoorde Joe van Grégoire dat L een afspraakje had met verkoper waar hij de dakplaten wilde kopen en dat de verkoper aan Joe een bepaald bedrag zou zeggen en dan dat ze ( L en de verkoper) samen de winst zouden gaan delen. Hij was boos dat Grégoire aan de kant van de Jovo (blanke) stond. Joe heeft toen gezegd dat wij de dakplaten hier wilden houden totdat de ruzie gesetteld was. We hebben gezegd dat we eerst zes weken in Nederland zouden zijn en in die tijd hoopten en verwachtten we dat ze als groepje gewoon door gingen, met of zonder L en zijn broer. Pasteur Romain zou met de wekelijkse bijbellessen gewoon doorgaan en ze zouden samen de zondagse diensten organiseren en elke keer in een schriftje schrijven hoe veel mensen er elke keer aanwezig zijn bij de bijeenkomsten.
We zijn inmiddels weer terug uit Nederland. Maar de onenigheid is inmiddels erger geworden. De bijbels, de kinderbijbel, de kerkbankjes en de liturgieboekjes, die het kerkje van ons hadden gekregen, zijn bij L thuis en hij wil ze niet meer teruggeven. Zijn broer X staat achter hem. L en zijn broer zijn nog steeds boos en willen geen contact met de kerkgroep.
Maar de bijeenkomsten zijn trouw doorgegaan. Romain heeft elke week een les gegeven, de diensten zijn elke zondag doorgegaan. Steeds een groep jonge mensen, Grégoire en J-M (die achteraf ook niet zo’n goede naam heeft maar wel heel trouw is en hij wil heel graag) en een paar volwassen vrouwen ( bijv. de moeder van Grégoire)  We zijn heel erg blij hoe de groep jongelui het nog steeds wil, samen gemeente van Christus te zijn.
We hebben gemerkt dat het echt niet gaat lukken om geld in te zamelen voor een frame, de jongelui hebben gewoon geen geld en er zijn geen echte volwassen leiders. Wij hebben met Grégoire en Romain gesproken en samen zijn we tot de conclusie gekomen dat het nog te vroeg is om echt een kerk te institueren, met volwassen oudsten.  Maar we hebben wel gezien dat ze echt graag over de Bijbel willen leren en dat ze ook heel trouw zijn om bij elkaar te komen voor de bijbellessen en de diensten. Daarom blijven we elke zondag de lessen geven en houden ze elke zondag hun diensten , soms met Joe, of Romain of een andere voorganger van de ERCB, soms gewoon met z’n allen, als groep. Er wordt nu nog gewacht met het officieel beginnen van een kerk met een kerkenraad. Maar we wilden wel heel graag een goed gesprek met de oudsten van de andere kerk hebben. Ze hebben ons in het begin toestemming gegeven om als extra ‘kleine broer’ in hun dorp te werken, om samen het Woord in het dorp en de heidense omgeving te brengen. Een van hun leiders, Rigobert, heeft vaak de bijbellessen met ons mee gewoond en mee gedaan en samen met ons gebeden. Maar ze hebben inmiddels ook gezien dat het niet allemaal gegaan is zoals we hoopten.
En dat hebben we gisteren gedaan. We zijn uitgenodigd bij Rigobert thuis. De hoofdouderling van de dorpskerk, Paul,  was er ook bij, we hebben samen gesproken over de jongelui, die graag meer willen leren over God’ s woord, over de dingen die gebeurd zijn en aan het einde hebben we toestemming gekregen om als ‘kleine broer’ in hun dorp door te gaan en Paul heeft samen met ons gebeden of God het werk hier in Vovokame wil zegenen.
Dus het is nu goed en toen wij vertelden dat jij (Jurrien) met de hulp van wat jongelui in Nederland geld aan het sparen bent voor een frame voor het gebouwtje, waren ze allemaal zo ontzettend blij: “Dieu est grand!” Wij hadden Grégoire dit al verteld, de vorige week……. Je moest zijn gezicht toen eens gezien hebben! Hij straalde gewoon en hij was zo opgelucht dat het toch nog allemaal door kan gaan in Vovokame! We hebben toen ook samen gebeden. Hij heeft tegenwoordig ook veel aan Romain, de nieuwe dominee hier in de ERCB, en daar zijn we blij mee want wij blijven hier niet en Romain neemt het dan van ons over en zo moet het ook!
Ze zijn vandaag direct aan de slag gegaan met het vinden van boomstammen (die moeten gekocht worden van degene op wiens land ze staan), en de timmerman is al gevonden die het werk gaat doen. Als alles naar plan verloopt, staat het kapelletje er als jij arriveert, en kun jij bij de inhuldiging zijn. Mooi, he?
Dat was het verhaal van Vovokame, tot nu toe, dan ben je een beetje op de hoogte!
Veel liefs van ons, Joe en Marijke

Mooi he, we hebben heel duidelijk gezegd dat het geld niet van ons of de DVN komt, maar van Grégoire ’s vriend Jurrien en vrienden in Nederland. En nu weten jullie ook hoe het nu gaat in Vovokame!

zaterdag 15 juni 2013

Afscheid van Joël Havinga en zijn familie.


Daar gaat’ ie dan, die Joël, hij loopt daar zo stoer, zo groot en flink, hij draait zich even om, hij zwaait, “Da-ag, allemaal, dag papa, tot dinsdag!”
Jammer, ik heb mijn fototoestel niet bij me, maar ik herinner me het als een foto; een klein, smal jongetje, met blond-rossige krullen, een wit gezichtje. Heel opvallend hier tussen al die zwarte, meest grote mensen op het vliegveld. Zijn broertje Sem hangt bij mama op de buik in de kangoeroedrager, zijn zusje, Rachel zit in een karretje, geduwd door oom Alex ……en Joël, de oudste van het gezin, loopt er achteraan, zijn eigen koffertje op wieltjes achter zich aan trekkend ……en hij is stoer, hij is groot en hij is flink!
Vandaag, 12 juni, 2013, is de grote dag! Joël Havinga, zijn moeder Wianne, zijn zusje Rachel van drie, zijn broertje Sem, van bijna 1 jaar en zijn oom Alex (die speciaal gekomen is om ze op te halen!), gaan een grote reis maken, met het vliegtuig, naar Nederland.  Papa, Richard, blijft tot maandag, hij moet de laatste dingen nog regelen in Cotonou…..
Joël Havinga woont sinds november 2008 in de havenstad Cotonou in het West-Afrikaanse land, Benin. Zijn vader en moeder zijn kerkelijk opbouwwerkers werkers daar voor de ERCB (Eglise Reformée Confessante au Benin). Hij was nog maar 4 maanden oud toen hij daar kwam wonen, dus voor hem is Benin zijn land. Nederland was tot nu toe voor verlof en vakantie, het land van de sneeuw en van de fietsen, waar de opa’s en oma’s wonen, de tantes en ooms, de neefjes en nichtjes. Nu gaat hij niet met verlof, nu hij gaat daar wonen…….
Vandaag is hij voor het laatst naar zijn ‘Franse’ school geweest, afscheid genomen. Zijn cahier met al zijn werkjes van het afgelopen jaar erin geplakt. De laatste weken waren druk, afscheidsfeestjes, afscheid van de parttime Nederlandse school met juf Marloes. Het hele huis werd langzamerhand leger, speelgoed weggeven, heel wat koffers werden gepakt.
…….en nu loopt hij daar, zo stoer! Maria en Albertine, de vrouwen die zo lang hij zich kan herinneren de huishouding bij hen thuis hebben gedaan, zijn zo verdrietig! Maria en Albertine horen zowat bij het gezin, een soort tweede moeders voor de drie kinderen, ze hebben het erg moeilijk met het afscheid. We zijn allemaal bij het vliegveld en iedereen ziet die grote, kleine Joël door de schuifdeuren lopen, heel stoer en groot en flink, met zijn koffertje op wieltjes achter zich aan trekkend. Ontroerend!
Jammer, dat er geen foto gemaakt wordt!
Richard en Wianne Havinga en hun kinderen hebben bijna 5 jaar in Benin gewoond en gewerkt. Eerst met Gerrit en Titia de Broeder en de laatste tijd met ons, Johan en Marijke Plug. Zij werkten vooral in de stad Cotonou als ondersteuning van de kerkenraad en bij het opzetten van kleine bijbelstudiegroepen door de hele stad. In het begin bij het begeleiden van het sociaal economisch werk, en dat de laatste paar jaar weer afronden om de zelfstandigheid van de kerken te bevorderen; ook werd er lesgegeven aan het nieuw opgezette schooltje voor kerkleiders in Kpodaha. Ze hebben als gezin bijna 5 jaar gewoond en gewerkt in een heel andere cultuur, een heel arm land, met heel andere gewoonten, een heel ander klimaat, ver weg van familie en vrienden en nu gaan ze weer terug.
Dat wordt een grote verandering, weer wennen aan de Nederlandse cultuur, de gewoonten, het klimaat, weer weg van de vrienden en de mensen waar ze van houden, een andere omgeving, een andere school, ander werk, een andere kerk……
We hopen en bidden dat het goed mag gaan met dit stoere gezin. Dat ze goed opgevangen worden daar, een goede afronding krijgen van het werken en leven in een ver, arm land. Dat ze snel een fijne baan kunnen vinden, een plaatselijke kerk die ze met open armen ontvangt, een fijn plekje om te wonen……. Want ze zijn stoer, stuk voor stuk; Richard, Wianne, Joël, Rachel en kleine Sem! En wij, en de kerken hier, bedanken hen van harte voor al het werk, voor hun aanwezigheid, voor hun vriendschap. We zullen hen missen!
En als jullie daar in Nederland die stoere, ‘grote’, flinke Joël eens ontmoeten, vertel hem dat hij écht heel stoer is! En maak een foto van hem, voor mij, ik zal er heel blij mee zijn!

God gaat met hen, Hij zorgt voor hen, liefs Marijke.

maandag 10 juni 2013

Uitrusten in De Onthaasting

Afgelopen zaterdag zag ik een illustratie in het N.D. Deze illustratie komt uit het evangelisatieblad Echo van de Christelijke Gereformeerde kerken. Een beeldverhaal waarin het Bijbelverhaal van de verloren zoon in een moderne vorm wordt verteld. De jongste zoon vraagt bij zijn vader, eigenaar van het bedrijf De Koning & Zonen, zijn deel van de erfenis dat hij verbrast met vrouwen, drank en vrienden. De afloop is bekend. Berooid keert hij terug naar zijn vader die hem met open armen ontvangt (zie tekening).
Als je goed leest op de bevoorradingvrachtauto, dan lees je dat De Onthaasting catering het eten van het grote feest brengt. Dit plaatje was dus het verhaal van het verhaal van de verloren zoon, die door zijn vader heel blij begroet werd en een prachtig feest voor hem organiseerde, maar omdat ik de naam en het gebouw op de vrachtwagen herkende, dacht ik aan een ander verhaal: “Daar gaat mijn volgende blog over!”
Een paar weken geleden hadden wij een vergadering in Amersfoort. De locatie voor deze meetings (in de ochtend en in de middag) was in een restaurant ‘Lunchroom  De Onthaasting’ in Amersfoort . Deze informatie vond ik op internet over deze mooie plek van rust: ‘Lunchroom De Onthaasting is een leuke lunchlocatie schuin tegenover het centraal station. Het wordt gerund door personen met een geestelijke handicap. Door hun gemoedelijke instelling zul je al snel merken dat zij net zoveel genieten van het serveren van je lunch als dat jij van de lunch zelf geniet.’ Dus een ideale locatie voor een meeting.
En het is een mooie plek, met mooie mensen, met lekkere koffie (met koekje), lekkere lunch, ontzettend gastvrije service…… Als je binnenkomt neemt een van de gastheren je jas en brengt je naar je tafel, er wordt netjes gevraagd wat je wilt eten of drinken. De bestelling wordt netjes opgeschreven en binnen ‘no time’ staat je bestelling op je tafeltje. Bij de koffie of thee wordt gratis een koekje uit een mooie trommel aangeboden. Geregeld komt iemand van de bediening om te vragen of alles ons goed smaakt en bij een tweede kopje krijgt iedereen die een tweede kopje neemt, weer een koekje aangeboden. De regel is, geen tweede koekje voor degene die geen tweede kopje drinkt, dat was ik dus, zelfs toen ik zei dat ik straks nog wel een kopje wilde was de reactie: “Nou, dan krijgt u er straks eentje bij, nu niet!” Tegen lunchtijd was het restaurant vol, alle tafels waren òf vol òf besproken. Heerlijke soep en een heerlijk ‘broodje gezond’ voor lunch en de bediening was perfect! Mooi, dat er zulke plekken zijn! Mooi dat mooie mensen, zoals dezen, een vak leren en er ook nog heel goed in zijn ook, heel gastvrij met mooie manieren. Wat is Nederland toch gezegend dat mensen met een beperking er gewoon bij horen en een lunchroom runnen, die ook nog druk bezocht wordt ook! Het is echt een plek voor onthaasting, om verwelkomd en verwend te worden door die mooie mensen!
Ja, en vorige week bezochten we een andere plek, hier in Benin, ook een plek waar mensen met een beperking wonen en werken, ook hele mooie, lieve mensen. We kwamen weer langs, na 6 weken weg te zijn geweest en wat werden we blij ontvangen! Veel handen schudden, knuffels. Nieuwe bewoners kwamen zich voorstellen of stonden afwachtend ons op te wachten om een hand te schudden. Edo, gillend met open armen op ons afgerend, Rebeccah kwam naar me toe, zonder broekje aan. Haar kapotte broek in de hand, haar oude bloesje binnenstebuiten, vragend of ik haar broekje voor haar aan kon doen. Grote, autistische Pierre steeds achter mij aanlopend, terwijl hij steeds zei: “Welkom, welkom, je was lang weg, wanneer mag ik eens met jullie mee?”
 

René, de ‘leadzanger’ van de groep, was zo blij ons te zien, zei hij.  Op mijn vraag waarom hij zijn beide polsen in het verband had, zei hij dat hij bij zijn moeder was geweest, die erg ziek was. Ik hoorde later fluisterend van iemand anders dat hij zijn moeder bijna had vermoord, toen hij een dag even naar huis mocht. Al deze mensen, verstandelijk en psychisch beperkt, afgedankt, weggestopt, maar op hun eigen manier zo bijzonder en mooi,  zagen naar ons uit, verwachtten weer een bijbelverhaal, dat er gebeden werd voor hen. We gaan hier normaal elke week heen en als wij in Nederland zijn, doen wat mensen om ons heen de bezoekjes. Elke keer eerst wat groeten, praten, spelen, zingen, en een Bijbelverhaal. Dit keer ging het over de zondeval, de slang, de duivel, Adam en Eva. Velen kenden het verhaal, hingen aan Joe’s lippen, riepen ‘halleluja’ en ‘boeh’ en ‘amen’ en ‘praise the Lord!’ als ze het nodig vonden. De reacties en vragen kwamen; Satan heeft toch niet gewonnen, want Jezus, Hij leeft! Het is zo bijzonder hoe veel ze begrijpen van de Bijbelverhalen en hoe veel ze er mee bezig zijn, God houdt van ons, Hij vergeeft  onze zonden! Bid voor ons, zegen ons! We hebben weer gezongen, gedanst aan het einde gebeden en iedereen gezegend, stuk voor stuk.

En toen zag ik die illustratie op zaterdag. De vader, de Koning, die zijn weggelopen zoon ontvangt met open armen. De zoon, hij is een Koningszoon, is altijd welkom, is geliefd door zijn Vader, de Koning en hij mag thuiskomen en Zijn zegen ontvangen. Een groot feest, speciaal voor hem, gecaterd door De Onthaasting. De muziek door de coverband ‘BackHome’ met René, als de leadzanger. Rebeccah in mooie witte, schone kleding, een grote lach op haar gezicht. Pierre als gastheer, die iedereen gastvrij verwelkomt. Kleine Edo, als de clown van het feest. Allemaal Koningszonen en -dochters, ze krijgen allemaal een taak bij de bediening, ze mogen allemaal gewoon meedoen, ze horen er allemaal bij op het grote feest! De Vader ontvangt hen allemaal met open armen.
Kom allemaal tot mij, ieder die vermoeid en belast zijn en Ik zal jullie rust geven!
De grote familie, met en zonder ‘beperkingen’, uit allerlei landen, geen immigratiestatus nodig, allemaal welkom op het feest, gecaterd door De Onthaasting.
Als dat geen rust geeft!!

woensdag 5 juni 2013

God weet alles!

God weet alles! Hij wist al lang van te voren dat wij op 16 mei, 2013, 38 jaar getrouwd zouden zijn!
Mijn vorige blog schreef ik op 13 mei in Nederland. Intussen zijn we weer in Benin en ik denk nog steeds, “Wat gaat er allemaal gebeuren?”. Denken we dat niet allemaal vaak? Twee jaar geleden dacht ik dat ook al, “Wat gaat er allemaal gebeuren?”
Er is veel gebeurd, de laatste twee jaar. Ik kijk zo in mijn agenda van 2011 en ik lees op vrijdag, 20 mei, 2011: “Afscheidsfeest van Hoogezand-Sappemeer Noord.” en twee dagen later, op 22 mei: “we gaan morgen naar Benin, voor drie weken.” Dat hoorde bij de voorbereidingen. Drie weken lang in het klamme kantoortje van DVN in Cotonou, tegenover het huis van onze a.s. collega’s Richard en Wianne Havinga en kindertjes, waar wij gastvrij elke dag mochten eten. We zijn heel Cotonou rondgereden door Wianne en Richard, heel wat gezien. Vanaf de tweede dag, drie weken lang, elke dag, behalve het weekend, Franse les van Mr. Alexis Parisio, Mr. Bienvenue en van de Belgische Mevr. Aurelie.  Tussendoor  hebben we een beetje kennis mogen maken met Benin, in de weekenden met Dogbo, bij Gerrit en Titia, die we daar zouden gaan opvolgen. Ik lees nu zo mijn agenda door en ik denk: “Wow, dat waren volle, drukke én indrukwekkende weken!”
Daarna begon in Nederland de voorbereidingen voor onze uitzending als kerkelijk opbouwwerkers voor de ERCB in Benin. Eerst vooral gewoon bij ons thuis met Franse lessen en veel inlezen. Vanaf augustus, kregen we hier en daar een cursus, we zijn ‘van hot naar her’ gereden, veel gelezen en vergaderd.  Er waren ook nog andere voorbereidingen, zoals inentingen, medische check-ups, een twee wekenlang intensieve Franse cursus bij Ceran in Spa, België. Toen kwamen de afscheidsbezoekjes en -feestjes en -tranen en op zondag, 13 november  was de uitzenddienst in Gouda. Dat was een snel, intensief voorbereidings-half-jaartje! Op 23 november zijn we door onze kinderen en kleinkinderen uitgezwaaid op Schiphol. Waar waren we aan begonnen, wat ging er allemaal gebeuren? God wist het!
En sindsdien zijn we hier in Dogbo, Benin. De eerste weken nog met Gerrit en Titia, zij zijn begin januari 2012 weer naar Rijswijk in Nederland vertrokken. Daarna met z’n tweetjes, als team, Joe en ik.
Ik heb heel wat blogs geschreven, inmiddels,  en we hebben samen heel wat beleefd en veel mensen hebben van een afstand met ons meegeleefd. We zijn druk bezig geweest aan het ondersteunen van de kerk, veel mensen leren kennen, veel gedaan, veel geleerd. We zijn verscheidene keren terug geweest, er zijn inmiddels ook bezoekers hier geweest.
En nu is het alweer juni, 2013. En het is nog altijd: “Wat gaat er allemaal gebeuren?” Zo is het leven, òf je nu gewoon thuis bent in het huis waar je al jaren woont , met de baan, die je al jaren hebt, met de man en kinderen en vrienden, die je al jaren liefhebt, òf je bent ver weg, bezig in een andere cultuur, een ander land, onzeker over wat de toekomst brengt. Moeten we ons zorgen maken voor de dag van morgen? Wat gaat er allemaal gebeuren? Dat dachten mijn ouders ook al, toen ik werd geboren. We doen gewoon allemaal ons best op het plekje waar we zijn en niemand kan in de toekomst kijken, God weet het alleen, en dan is het goed!
Dank U dat Joe en ik zo lang gelukkig getrouwd mogen zijn, lieve Vader in de Hemel!
Hij wist het van te voren!